Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) om een tegemoetkoming toe te kennen op basis van de derde tranche van de NOW3.1-regeling voor de periode van 1 november 2020 tot en met 31 januari 2021. Het UWV had een tegemoetkoming van €6.527,- toegekend, waarvan een voorschot van €5.220,- was betaald. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
De rechtbank overwoog dat de NOW3.1-regeling bedoeld is als een tegemoetkoming en niet om alle loonkosten volledig te dekken. De referentiemaand voor de berekening is juni 2020, omdat dit de meest representatieve maand is volgens de polisadministratie van het UWV. Tevens is de regeling niet gericht op het afdekken van risico’s van personeelsuitbreiding, waardoor het UWV geen rekening hoeft te houden met de daadwerkelijke loonkosten van eiseres.
De rechtbank benadrukte dat het op dit moment onduidelijk is hoe de subsidievaststelling zal verlopen. Daarnaast behandelde de rechtbank niet het bezwaar tegen de aanvraag voor de vierde tranche (NOW3.2-regeling), maar gaf aan dat dezelfde uitgangspunten daarop van toepassing zijn. De rechtbank wees erop dat eiseres nog beroep kan instellen tegen dat besluit.
Ten slotte wees de rechtbank erop dat er geen aanleiding is tot proceskostenveroordeling en informeerde eiseres over de mogelijkheid van hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep binnen zes weken na verzending van het proces-verbaal.