ECLI:NL:RBMNE:2021:1937
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen vaststelling WOZ-waarde woning afgewezen door rechtbank
De zaak betreft een beroep van een eigenaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning aan een adres te Utrecht voor het belastingjaar 2019. De gemeente had de waarde vastgesteld op € 805.000,-, welke na bezwaar was verlaagd naar € 730.000,-. Eiser betwistte deze waarde en stelde een lagere waarde van € 625.000,- voor, onderbouwd met een NEN 2580 meetrapport en verwijzingen naar vergelijkbare woningen.
De rechtbank overwoog dat de WOZ-waarde de marktwaarde op de waardepeildatum 1 januari 2018 betreft, vastgesteld met de vergelijkingsmethode. Verweerder had een taxatiematrix overgelegd waarin de woning werd vergeleken met vier referentiewoningen in dezelfde plaats, waarbij rekening werd gehouden met verschillen in gebruiks- en perceeloppervlakte en ligging. De rechtbank vond dat verweerder aannemelijk had gemaakt dat de waarde van € 730.000,- niet te hoog was.
De door eiser aangevoerde onjuiste informatie over de omvang van de woning werd verworpen omdat verweerder de waardebepaling baseert op kubieke meters en niet op gebruiksoppervlakte. Ook de vergelijking met de buurwoning en eerdere WOZ-waardes leidde niet tot een ander oordeel. De rechtbank concludeerde dat de waardebepaling voldoende zorgvuldig en onderbouwd was en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van € 730.000,- wordt ongegrond verklaard.