ECLI:NL:RBMNE:2021:1950

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
4 mei 2021
Publicatiedatum
11 mei 2021
Zaaknummer
520165 / HA RK 21-81
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 512 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wrakingsverzoek afgewezen wegens ontbreken van gegronde partijdigheidsvrees

Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen de politierechter in een strafzaak, stellende dat de rechter niet onpartijdig zou zijn vanwege het niet horen van cruciale getuigen en het tutoyeren van verzoeker tijdens de zitting.

De wrakingskamer heeft het verzoek behandeld en onderzocht of er sprake was van feiten of omstandigheden die de onpartijdigheid van de rechter zouden kunnen schaden. Uit het dossier en de zitting bleek dat de rechter nog geen beslissing had genomen over het horen van getuigen, waardoor geen vooringenomenheid kon worden afgeleid.

Ook het tutoyeren van verzoeker werd niet als bewijs van partijdigheid gezien. De wrakingskamer concludeerde dat er geen objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid bestond en verklaarde het wrakingsverzoek ongegrond.

De procedure in de onderliggende strafzaak wordt voortgezet zoals die was op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de politierechter is ongegrond verklaard en de strafprocedure wordt voortgezet.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

WRAKINGSKAMER
Locatie: Utrecht
Zaaknummer/rekestnummer: 520165 / HA RK 21-81
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van
4 mei 2021
op het verzoek in de zin van artikel 512 van Pro het Wetboek van Strafvordering (verder: Sv) van:
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
(verder te noemen: verzoeker),
advocaat: mr. M. van Viegen, advocaat te Utrecht.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het ter zitting van 9 april 2021 gedane wrakingsverzoek, zoals vastgelegd in het proces-
verbaal van de terechtzitting van de politierechter;
- de schriftelijke reactie van 12 april 2021 van de politierechter;
- de emailberichten van verzoeker en zijn advocaat van 16 april 2021.
1.2.
Het wrakingsverzoek is op 20 april 2021 in het openbaar behandeld door de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken (verder: de wrakingskamer).
Bij de mondelinge behandeling is verzoeker verschenen, bijgestaan door zijn advocaat.
De rechter is met een bericht van verhindering niet verschenen.
1.3.
De uitspraak is bepaald op heden.

2.Het wrakingsverzoek

2.1.
Het verzoek tot wraking is gericht tegen mr. E. Slager als behandelend politierechter (hierna te noemen: de rechter) in de zaak met parketnummer 16/270436-20. Volgens verzoeker is de rechter niet onpartijdig, nu verzoeker geen eerlijk proces kan krijgen. Dit blijkt volgens verzoeker uit het feit dat cruciale data en getuigen niet gehoord worden. Tijdens de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek heeft verzoeker hier nog aan toegevoegd dat de partijdigheid van de rechter eveneens kan worden afgeleid uit het feit dat de rechter hem tutoyeerde.
2.2.
De rechter heeft niet berust in de wraking. In haar schriftelijke reactie stelt zij zich op het standpunt dat er geen goede grond voor wraking is en dat het wrakingsverzoek ongegrond dient te worden verklaard.

3.De beoordeling

3.1.
Artikel 512 Sv Pro bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van de verdachte of het openbaar ministerie kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
3.2.
De wrakingskamer onderzoekt in een wrakingsprocedure of de onpartijdigheid van de rechter schade lijdt. Een rechter wordt geacht onpartijdig te zijn tot het tegendeel vaststaat. Van dat laatste kan sprake zijn indien uit zijn overtuiging of gedrag persoonlijke vooringenomenheid tegenover een procespartij blijkt. Daarnaast kan een procespartij de indruk krijgen dat de rechter vooringenomen is. Het gezichtspunt van de procespartij is hier van belang, maar speelt geen doorslaggevende rol. Beslissend is of de vrees voor partijdigheid objectief gerechtvaardigd is. Komt vooringenomenheid of een gerechtvaardigd vermoeden daarvan vast te staan dan lijdt de rechterlijke onpartijdigheid schade.
De wrakingskamer zal het wrakingsverzoek aan de hand van de hiervoor genoemde maatstaven beoordelen.
3.3.
De wrakingskamer is van oordeel dat de rechter geen blijk heeft gegeven van enige vorm van vooringenomenheid of partijdigheid en verklaart het verzoek daarom ongegrond. Daarvoor is het volgende van belang.
3.4.
Verzoeker heeft aangevoerd dat hij geen eerlijk proces kan krijgen, omdat cruciale data en getuigen niet worden gehoord. Uit het proces-verbaal van de politierechterzitting volgt dat de rechter nog niet is toegekomen aan een beslissing op het verzoek tot het horen van enkele getuigen. Hieruit kan naar het oordeel van de wrakingskamer dan ook geen vooringenomenheid blijken. Datzelfde geldt voor de omstandigheid dat de rechter verzoeker heeft getutoyeerd tijdens de politierechterziting. Ook voor het overige is niet gebleken van omstandigheden die tot een ander oordeel leiden.
3.5.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal de wrakingskamer het verzoek tot wraking ongegrond verklaren.

4.De beslissing

De wrakingskamer:
4.1.
verklaart het verzoek tot wraking ongegrond;
4.2.
draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te zenden aan verzoeker, de gewraakte rechter, andere betrokken partijen, alsmede aan de teamvoorzitter van het team waarin de rechter werkzaam is en de president van deze rechtbank;
4.3.
bepaalt dat de procedure van verzoeker met parketnummer 16-270436-20 dient te worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek.
Deze beslissing is gegeven door mr. N.M. Spelt, voorzitter, mr. D.J. van Maanen en mr. W.S. Ludwig als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. L.C.J. van der Heijden, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 4 mei 2021.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.