Op 9 maart 2020 ontstond brand in de kamer van verdachte in het Asielzoekerscentrum te een adres. Verdachte werd ervan verdacht opzettelijk brand te hebben gesticht, waardoor gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor anderen ontstond. De rechtbank nam kennis van verklaringen van verbalisanten, getuigen en deskundigen van het NFI, die concludeerden dat de brand waarschijnlijk is ontstaan door opzettelijk open vuur en niet door een smeulbrand of kortsluiting.
De verdediging voerde aan dat het onderzoek een tunnelvisie vertoonde en dat alternatieve scenario's, zoals een smeulbrand door een joint of kortsluiting, niet waren uitgesloten. De rechtbank verwierp deze verweren omdat de bewijsmiddelen, waaronder verklaringen en NFI-rapporten, dit niet ondersteunen.
De rechtbank achtte bewezen dat verdachte opzettelijk papier, kleding en beddengoed in brand heeft gestoken, waardoor gevaar voor medebewoners en personeel ontstond. Er was geen sprake van een concreet gerealiseerd gevaar, maar wel van een ernstig feit met gemeen gevaar.
Verdachte was niet eerder veroordeeld en de rechtbank legde een gevangenisstraf van twaalf maanden op, met aftrek van voorarrest, lager dan de eis van 36 maanden. Dit vonnis heeft nadelige gevolgen voor de vreemdelingenrechtelijke positie van verdachte.
Het vonnis is gewezen door de meervoudige kamer van de Rechtbank Midden-Nederland op 12 mei 2021.