Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen een besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, waarop verweerder op 19 augustus 2020 een besluit op bezwaar nam. Verzoekster ging hiertegen in beroep. Op 10 maart 2021 heeft verweerder een nieuw besluit op bezwaar genomen waarin het bezwaar van verzoekster alsnog gegrond werd verklaard en een IVA-uitkering werd toegekend met terugwerkende kracht per 16 maart 2020.
Naar aanleiding hiervan trok verzoekster het beroep in en verzocht zij om vergoeding van haar proceskosten. Verweerder reageerde niet op dit verzoek. De rechtbank oordeelde dat verweerder, die geheel tegemoet was gekomen aan de beroepsgronden, veroordeeld kon worden tot vergoeding van de proceskosten over de beroepsfase.
De rechtbank stelde de proceskosten vast op €858,37, bestaande uit €534 voor de rechtsbijstand en €324,37 voor de kosten van een medisch deskundige. Daarnaast wees de rechtbank erop dat het griffierecht van €48 door verweerder vergoed moet worden, maar dat verzoekster zich daarvoor rechtstreeks tot verweerder moet wenden.