ECLI:NL:RBMNE:2021:206
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel na vrijspraak hennepteelt
De rechtbank Midden-Nederland behandelde de vordering van de officier van justitie tot ontneming van een bedrag van €87.527,52, gebaseerd op vermeend wederrechtelijk verkregen voordeel uit een hennepkwekerij. Betrokkene was eerder integraal vrijgesproken van het medeplegen van het telen, bewerken, verwerken, bereiden en/of het opzettelijk aanwezig hebben van 261 hennepplanten, alsmede medeplichtigheid daaraan.
Tijdens meerdere terechtzittingen, waaronder de inhoudelijke behandeling op 12 januari 2021, heeft de rechtbank kennisgenomen van de standpunten van de officier van justitie en de verdediging. De officier van justitie heeft uiteindelijk tot afwijzing van de vordering gerekwireerd.
De rechtbank oordeelde dat vanwege de integrale vrijspraak niet kan worden vastgesteld dat betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit de hennepkwekerij. Aangezien de ontnemingsvordering hierop was gebaseerd, werd de vordering tot ontneming afgewezen.
De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Midden-Nederland te Utrecht op 26 januari 2021, waarbij de voorzitter en twee rechters het vonnis hebben gewezen.
Uitkomst: De vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel werd afgewezen vanwege de integrale vrijspraak van betrokkene.