Verzoeker heeft een verzoek ingediend op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) om bepaalde informatie openbaar te maken. Verweerder, de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, Dienst Terugkeer en Vertrek, heeft dit verzoek niet in behandeling genomen en opgevat als een verzoek om informatie, waarop verzoeker bezwaar heeft gemaakt.
Verzoeker heeft vervolgens bij de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening gevraagd om openbaarmaking van de gevraagde stukken, met als argument dat deze informatie nodig is voor zijn lopende asielprocedure in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De voorzieningenrechter overweegt dat een voorlopige voorziening die inhoudt dat stukken openbaar worden gemaakt een onomkeerbaar karakter heeft en feitelijk een beslissing op de zaak inhoudt, waardoor deze alleen kan worden toegewezen bij ernstige twijfel aan de rechtmatigheid van het besluit en een zeer zwaarwegend spoedeisend belang.
De voorzieningenrechter acht het niet aannemelijk dat verzoeker een dergelijk zwaarwegend spoedeisend belang heeft. Het persoonlijke belang van verzoeker bij het verkrijgen van de stukken voor zijn asielprocedure is onvoldoende om onmiddellijke openbaarmaking te gelasten. Daarnaast is het besluit niet evident onrechtmatig. Verzoeker kan zijn bezwaar afwachten en eventueel hoger beroep instellen.
De voorzieningenrechter wijst daarom het verzoek om voorlopige voorziening af. Tevens wordt verzoeker vrijgesteld van griffierecht wegens betalingsonmacht. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.