Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 mei 2021 in de zaak tussen
[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker(gemachtigde: mr. W.H. Beishuizen),
(gemachtigde: W.A. Postma ).
Rechtbank Midden-Nederland
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van verweerder waarin werd vastgesteld dat hij verwijtbaar werkloos was en daarom geen WW-uitkering ontving. Na een eerste ongegrondverklaring van het bezwaar door verweerder, stelde verzoeker beroep in bij de rechtbank.
Tijdens de procedure heeft de rechtbank het onderzoek geschorst om verweerder in de gelegenheid te stellen nader onderzoek te doen. Vervolgens heeft verweerder het bezwaar alsnog gegrond verklaard en de WW-uitkering toegekend met terugwerkende kracht vanaf 10 december 2019.
Naar aanleiding hiervan heeft verzoeker het beroep ingetrokken en verzocht om veroordeling van verweerder in de proceskosten. De rechtbank oordeelt dat verweerder aan het beroep tegemoet is gekomen en veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker, vastgesteld op €1.068,-. Daarnaast wijst de rechtbank erop dat verweerder het griffierecht van verzoeker dient te vergoeden.
Uitkomst: Verweerder verklaart bezwaar gegrond, keert WW-uitkering uit en wordt veroordeeld in de proceskosten van verzoeker.