AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Niet-ontvankelijkheid beroep wegens niet-betaling griffierecht en onbekende gemachtigde
In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de rechtbank Midden-Nederland het beroep van een onbekende eiser niet-ontvankelijk verklaard. De eiser, vertegenwoordigd door mr. D.A.N. Bartels MRE, had beroep ingesteld tegen een uitspraak op bezwaar van de Gemeente Blaricum. De rechtbank heeft het beroep niet inhoudelijk behandeld omdat het griffierecht van €48,- niet op tijd was voldaan.
De gemachtigde heeft meerdere malen een beroep gedaan op betalingsonmacht en verzocht om uitstel, maar zonder voldoende onderbouwing van de financiële positie van de eiser. De rechtbank wees dit verzoek af en gaf een laatste termijn voor betaling, die niet werd nageleefd. Daarnaast was de identiteit van de eiser binnen de beroepstermijn niet kenbaar gemaakt, wat volgens vaste jurisprudentie een vereiste is om ontvankelijk te zijn.
De rechtbank benadrukte dat het niet mogelijk is om namens nog onbekende personen beroep in te stellen en dat dit verzuim niet kan worden hersteld. Daarom is het beroep op grond van artikel 8:54 vanPro de Algemene wet bestuursrecht niet-ontvankelijk verklaard. Er is geen aanleiding tot vergoeding van proceskosten.
De uitspraak is gedaan door rechter R.C. Stijnen en griffier P.W. Hogenbirk op 29 april 2021 en is openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.
Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht en onbekendheid van de gemachtigde binnen de beroepstermijn.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 20/143
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 april 2021 in de zaak tussen
Onbekende eiser(es),
(beweerdelijk gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels MRE),
en
de heffingsambtenaar van de Gemeente Blaricum, verweerder.
Procesverloop
Mr. D.A.N. Bartels MRE (Bartels) heeft beweerdelijk namens onbekende eiser(es) beroep ingesteld tegen een uitspraak op bezwaar van verweerder van 12 december 2019.
Overwegingen
1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Eiser heeft namelijk het griffierecht niet (op tijd) betaald, waardoor de rechtbank de zaak niet inhoudelijk kan behandelen. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
2. Iemand die in beroep gaat moet griffierecht betalen. Dit staat in artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In dit geval is het griffierecht € 48,-.
3. Als het griffierecht niet (op tijd) wordt betaald is de hoofdregel dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk mag behandelen. Soms is dat anders. Dan is er een geldige reden waarom het griffierecht niet door de rechtbank is ontvangen. Het gaat dan om omstandigheden waar men niets aan kan doen.
4. Bij brief van 16 april 2020 is door Bartels een beroep op betalingsonmacht gedaan en verzocht om uitstel van het betalen van griffierecht. De rechtbank heeft gevraagd om dit verzoek nader te onderbouwen, waar Bartels bij brief van 9 juni 2020 op heeft gereageerd. Ter onderbouwing hiervan heeft hij verschillende brieven van rechtbanken en een draagkrachtverklaring van zijn vennootschap [vennootschap] B.V. overlegd. Dit verzoek is naar het oordeel van de rechtbank terecht bij brief van 23 oktober 2020 afgewezen. Aangezien gemachtigde namens een onbekend (rechts)persoon beroep heeft ingesteld, is de financiële positie van deze (rechts)persoon, namens wie beroep is ingesteld, van belang. Een onderbouwing daarvan is achterwege gebleven. Vervolgens heeft de rechtbank Bartels op 22 oktober 2020 een aangetekende brief gestuurd, waarin staat dat het griffierecht binnen vier weken betaald moet worden aan de rechtbank.
5. Bartels heeft bij brief van 26 oktober 2020 wederom een beroep gedaan op betalingsonmacht en verzocht om uitstel van het betalen van griffierecht. De brief was nagenoeg identiek aan de brief van 10 april 2020, zodat de rechtbank kan volstaan met een verwijzing naar hetgeen hiervoor is overwogen.
6. De rechtbank heeft het bedrag niet (op tijd) ontvangen. Hier is geen geldige reden voor gegeven.
7. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk (artikel 8:54 vanPro de Awb). Het beroep zal daarom niet inhoudelijk worden behandeld.
8. Verder stelt Bartels in het beroepschrift beroep in namens belanghebbende met daarbij de opmerking dat de gemeente anoniem uitspraak heeft gedaan, zonder gegevens van de persoon namens wie hij beroep instelt te vermelden. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) dat de artikelen 6:5 en 6:6 van de Awb er niet toe strekken om het mogelijk te maken beroep in te stellen namens nog onbekende personen. De in artikel 8:1, in samenhang met de artikelen 6:7 en 6:11 van de Awb, neergelegde regeling met betrekking tot de beroepstermijn brengt met zich dat de identiteit van degenen namens wie beroep wordt ingesteld, voor afloop van de beroepstermijn kenbaar moet zijn. Deze rechtspraak is ook van toepassing in het belastingrecht.
9. In dit geval liep de beroepstermijn tot en met 23 januari 2020. Bartels heeft binnen die termijn geen stukken overlegd waaruit de identiteit van degene namens wie hij beroep heeft ingesteld blijkt, zoals een machtiging met daarop de gegevens van eiser(es). De identiteit van eiser(es) was dus niet binnen de beroepstermijn bekend. Het is eveneens vaste rechtspraak van de Afdeling dat een dergelijk verzuim zich niet leent voor herstel. Dat betekent dat het beroep niet-ontvankelijk is.
10. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk (artikel 8:54 AwbPro). Het beroep zal niet inhoudelijk worden behandeld.
11. Voor een vergoeding van de proceskosten is geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van P.W. Hogenbirk, griffier. De beslissing is uitgesproken op 29 april 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.