ECLI:NL:RBMNE:2021:2205
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing VOG-aanvraag docent sport wegens verdenking zedendelict
Eiser vroeg op 20 april 2020 een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) aan voor de functie van docent sport bij een hogeschool. Verweerder wees de aanvraag af omdat in het Justitieel Documentatie Systeem (JDS) een strafrechtelijke registratie stond van een verdenking van seksueel binnendringen van een persoon onder de 16 jaar op 31 januari 2020. Verweerder stelde dat dit feit een risico vormt voor de veiligheid van personen waarmee eiser in zijn functie in contact komt, en dat dit een belemmering vormt voor de uitoefening van de functie.
Eiser voerde aan dat de weigering in strijd is met de onschuldpresumptie omdat hij nog niet is veroordeeld en dat de omstandigheden van het strafbare feit niet zijn meegewogen. Ook stelde hij dat het risico op herhaling gering is en dat het strafbare feit niet relevant is voor de functie waarvoor de VOG is aangevraagd. Daarnaast vroeg hij om een VOG onder voorwaarden.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht het strafbare feit, ook al betreft het een verdenking, mocht betrekken bij de beoordeling van de VOG-aanvraag. De onschuldpresumptie is in bestuursrechtelijke zaken niet absoluut en het doel van de beoordeling is het voorkomen van risico's voor de samenleving. Verweerder hoefde de omstandigheden van het strafbare feit niet mee te wegen bij het objectieve criterium en mocht het risico op herhaling zwaarder laten wegen dan het persoonlijke belang van eiser. De rechtbank vond dat verweerder zorgvuldig en redelijk heeft gehandeld en het beroep ongegrond verklaarde.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de VOG-aanvraag is ongegrond verklaard.