Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 mei 2021 in de zaak tussen
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Bilt, verweerder
[derde belanghebbende], te [woonplaats] .
Rechtbank Midden-Nederland
Eisers exploiteren een taxi- en koeriersbedrijf op een perceel met woonbestemming. Verweerder legde een last onder dwangsom op wegens strijd met het bestemmingsplan, omdat de bedrijfsactiviteiten volgens hem de woonfunctie aantasten. Eisers stelden beroep in en beriepen zich op het overgangsrecht, dat het voortzetten van bestaande activiteiten toestaat indien deze niet zijn uitgebreid.
De rechtbank oordeelde dat de bedrijfsactiviteiten sinds de peildatum 4 juli 2013 onafgebroken zijn voortgezet en niet in omvang zijn toegenomen, wat werd onderbouwd met jaarstukken, aantallen bedrijfswagens en boekhoudkundige gegevens. Ook correspondentie van de buurvrouw, derde-partij, bevestigde dat de overlast sinds 2006 gelijk bleef.
Daarom is het beroep gegrond en het primaire besluit en het bestreden besluit worden vernietigd. Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht, proceskosten en kosten van een deskundige. De rechtbank ziet geen aanleiding het aantal aangeschrevenen uit te breiden en wijst het verzoek van verweerder daartoe af.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de last onder dwangsom wordt vernietigd wegens toepassing van het overgangsrecht.