Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 mei 2021 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Waarover gaat deze zaak?
zeerkorte termijn een woning hoeft te vinden. Verweerder heeft ten onrechte nagelaten na te vragen aan de verzekeringsarts wat hij onder een zeer korte termijn heeft verstaan. Omdat in de Huisvestingsverordening staat dat een korte termijn maximaal drie tot vier maanden is, ligt het voor de hand dat een zeer korte termijn een termijn tot drie maanden lang is.
het medische probleem langdurig is en de situatie dermate ontwrichtend is dat deze alleen kan worden opgelost met een woning op korte termijn (maximaal 3 tot 4 maanden).
Is sprake van een langdurig medische probleem en is de huidige woonsituatie dermate ontwrichtend dat deze alleen kan worden opgelost met een zelfstandige woonruimte opzeerkorte termijn?(onderstreping toegevoegd door de rechtbank). De verzekeringsarts heeft geadviseerd dat het nodig is dat eiser zelfstandige woonruimte vindt, maar dat dit niet op zeer korte termijn hoeft te zijn. Wat onder een zeer korte termijn moet worden beschouwd is echter niet gedefinieerd in de Huisvestingsverordening, en ook niet in het advies van de verzekeringsarts. De rechtbank volgt eiser in de opvatting dat als een korte termijn drie tot vier maanden is, de logica ertoe dwingt om te concluderen dat een zeer korte termijn een periode korter dan drie maanden is. Verweerder heeft dit desgevraagd ter zitting erkend.
zeerkorte termijn, dus minder dan drie maanden, een woning nodig heeft. Dit volgt namelijk niet uit de Huisvestingsverordening. Verweerder heeft in dit geval niet de beleidsvrijheid om in de praktijk andere termijnen te hanteren dan in de Huisvestingsverordening staan. Met de toelichting op zitting heeft verweerder duidelijk gemaakt dat verweerder er vanwege het tekort aan sociale huurwoningen niet altijd in slaagt om bij een medische urgentie binnen zes maanden een geschikte woning te vinden en dat de termijnen die in de praktijk worden gehanteerd om die reden afwijken van wat in de Huisvestingsverordening staat. Verweerder lijkt daarmee de vraag op grond van welke criteria een belanghebbende in aanmerking komt voor een medische urgentie te verwarren met de vraag binnen welke periode vervolgens een geschikte woning wordt aangeboden. Deze vragen moeten naar het oordeel van de rechtbank worden onderscheiden, waarbij geldt dat éérst moet worden onderzocht of iemand voldoet aan de criteria voor een medische urgentie omdat de situatie dermate ontwrichtend is dat deze alleen kan worden opgelost met een woning op korte termijn. In de Huisvestingsverordening staat expliciet dat het hierbij om een periode van drie tot vier maanden gaat. Verweerder had in de vraagstelling aan de verzekeringsarts moeten aansluiten bij de
korte termijnen de definitie daarvan in de Huisvestingsverordening. Omdat de verzekeringsarts is gevraagd naar een
zeerkorte termijn én het aantal maanden dat daarmee werd bedoeld niet duidelijk is gemaakt, was de vraagstelling onzorgvuldig. Het antwoord op de vraagstelling was daarom ook niet bruikbaar bij de beoordeling of eiser recht heeft op urgentie. Het was namelijk niet duidelijk hoeveel maanden de verzekeringsarts in gedachten had. Dit betekent dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd.
Beslissing
- draagt verweerder op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;
- stelt verweerder in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
- houdt iedere verdere beslissing aan.