ECLI:NL:RBMNE:2021:2293
Rechtbank Midden-Nederland
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Ontslag werknemer op staande voet zonder dringende reden en zonder recht op vergoeding
Werknemer was sinds 2000 in dienst en werd in 2012 directeur van een instituut binnen de werkgever. Na een nieuwe leidinggevende in 2017 kreeg werknemer in 2019 een onvoldoende beoordeling en werd hem een andere functie aangeboden, die hij aanvaardde.
In 2020 ontving de werkgever meldingen over mogelijke integriteitsschendingen door werknemer, waarna een extern onderzoek plaatsvond. Op basis van dit rapport besloot werkgever de arbeidsovereenkomst te beëindigen en vroeg ontbinding bij de rechtbank, maar partijen kwamen niet tot overeenstemming.
Werknemer nam op 26 augustus 2020 ontslag op staande voet wegens vermeende pesterijen, intimidaties en onjuiste behandeling door werkgever. Hij vorderde diverse vergoedingen op grond van het ontslag en cao.
De kantonrechter oordeelde dat geen objectieve dringende reden voor ontslag was aangetoond en dat de werkgever niet ernstig verwijtbaar had gehandeld. Ook de onderzoeksprocedure werd als zorgvuldig beoordeeld. De vorderingen van werknemer werden afgewezen en hij werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Verzoeken werknemer tot vergoeding wegens ontslag op staande voet worden afgewezen wegens ontbreken dringende reden en ernstig verwijtbaar handelen werkgever.