Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2021:2312

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
18 mei 2021
Publicatiedatum
2 juni 2021
Zaaknummer
20_898
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:41 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing proceskostenvergoeding na intrekking beroep wegens tegemoetkoming Ziektewet-uitkering

Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder om per 28 oktober 2019 geen Ziektewet-uitkering meer toe te kennen. Verweerder heeft op 14 april 2021 een nieuw besluit genomen waarin hij terugkomt op zijn eerdere beslissing en verzoeker het recht op Ziektewet-uitkering per genoemde datum onveranderd toekent. Hierdoor is verweerder tegemoetgekomen aan het beroep van verzoeker, die daarop het beroep heeft ingetrokken en proceskostenvergoeding heeft gevraagd.

De rechtbank beoordeelt het verzoek om proceskostenvergoeding op grond van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht en het Besluit proceskosten bestuursrecht. Omdat verzoeker in de bezwaarfase geen gebruik heeft gemaakt van beroepsmatige rechtsbijstand, beperkt de beoordeling zich tot de beroepsfase. De rechtbank acht het verzoek kennelijk gegrond en veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker, vastgesteld op € 1.068,-.

Daarnaast wijst de rechtbank erop dat verweerder op grond van artikel 8:41, zevende lid, Awb verplicht is het door verzoeker betaalde griffierecht van € 48,- te vergoeden. Verzoeker dient zich hiervoor rechtstreeks tot verweerder te wenden. De uitspraak is gedaan door rechter N.H.J.M. Veldman-Gielen en griffier J.M.T. Bouwman op 18 mei 2021.

Uitkomst: Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker van € 1.068,-.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 20/898

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 mei 2021 in de zaak tussen

[verzoeker], te [woonplaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. K.T. Ghaffari),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,verweerder.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoeker om vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder heeft in reactie op dit verzoek laten weten hier geen verweer tegen te voeren.

Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenvergoeding.
2. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
3. Verweerder heeft in de beslissing op bezwaar van 20 januari 2020 besloten dat verzoeker per 28 oktober 2019 geen uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) meer krijgt. Verzoeker is hiertegen in beroep gegaan. Op 14 april 2021 heeft verweerder een nieuw besluit genomen, waarin hij terugkomt op de beslissing in bezwaar en aan verzoeker per
28 oktober 2019 onveranderd recht op een ZW-uitkering toekent. Daarmee is verweerder tegemoetgekomen aan het beroep van verzoeker. Verzoeker heeft daarna het beroep ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor zijn proceskosten.
4. Verzoeker heeft in de bezwaarfase geen gebruik gemaakt van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De beoordeling van de gevraagde proceskostenveroordeling beperkt zich daarom tot de beroepsfase.
5. De rechtbank wijst het verzoek als kennelijk gegrond toe. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleend rechtsbijstand vast op
€ 1.068,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het aanwezig zijn bij de zitting, met een waarde per punt van € 534,- en een wegingsfactor 1).
6. De rechtbank wijst erop dat verweerder op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb verplicht is het door verzoeker betaalde griffierecht van € 48,- te vergoeden. Verzoeker zal zich hiervoor tot verweerder moeten wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van
€ 1.068,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.H.J.M. Veldman-Gielen, rechter, in aanwezigheid van mr. J.M.T. Bouwman, griffier
.De beslissing is uitgesproken op 18 mei 2021 en wordt openbaar gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
griffier rechter
de rechter is verhinderd om deze uitspraak mede te ondertekenen
Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.