Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder om per 28 oktober 2019 geen Ziektewet-uitkering meer toe te kennen. Verweerder heeft op 14 april 2021 een nieuw besluit genomen waarin hij terugkomt op zijn eerdere beslissing en verzoeker het recht op Ziektewet-uitkering per genoemde datum onveranderd toekent. Hierdoor is verweerder tegemoetgekomen aan het beroep van verzoeker, die daarop het beroep heeft ingetrokken en proceskostenvergoeding heeft gevraagd.
De rechtbank beoordeelt het verzoek om proceskostenvergoeding op grond van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht en het Besluit proceskosten bestuursrecht. Omdat verzoeker in de bezwaarfase geen gebruik heeft gemaakt van beroepsmatige rechtsbijstand, beperkt de beoordeling zich tot de beroepsfase. De rechtbank acht het verzoek kennelijk gegrond en veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker, vastgesteld op € 1.068,-.
Daarnaast wijst de rechtbank erop dat verweerder op grond van artikel 8:41, zevende lid, Awb verplicht is het door verzoeker betaalde griffierecht van € 48,- te vergoeden. Verzoeker dient zich hiervoor rechtstreeks tot verweerder te wenden. De uitspraak is gedaan door rechter N.H.J.M. Veldman-Gielen en griffier J.M.T. Bouwman op 18 mei 2021.