ECLI:NL:RBMNE:2021:2341

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
29 april 2021
Publicatiedatum
2 juni 2021
Zaaknummer
UTR 20/565
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 3:41 AwbArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet-ontvankelijkheid bezwaarschrift door te late indiening

Deze bestuursrechtelijke uitspraak betreft het beroep van eiser tegen de uitspraak op bezwaar van verweerder. Het bezwaarschrift was ingediend na de wettelijke termijn van zes weken, namelijk één dag te laat. Verweerder had het bezwaar daarom niet-ontvankelijk moeten verklaren, maar had dit onterecht niet gedaan.

De rechtbank heeft partijen niet uitgenodigd voor een zitting en heeft schriftelijk de feiten en argumenten beoordeeld. Eiser voerde aan dat het bezwaarschrift wel tijdig was ingediend en dat ziekte hem verhinderde het eerder in te dienen, maar kon dit niet onderbouwen met bewijs.

De rechtbank oordeelde dat het de verantwoordelijkheid van eiser was om tijdig bezwaar in te dienen of dit te laten doen. Omdat verweerder het bezwaar onterecht ontvankelijk had verklaard, vernietigt de rechtbank dit besluit en verklaart het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk. Het beroep wordt niet inhoudelijk behandeld.

Daarnaast krijgt eiser een vergoeding van € 534,- aan proceskosten en € 500,- aan immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van de procedure. Verweerder moet ook het griffierecht vergoeden, met wettelijke rente vanaf vier weken na verzending van de uitspraak.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 20 / 565

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 april 2021 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser,

(gemachtigde: mr. M.M. Vrolijk),
en

de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking SWW, verweerder,

(gemachtigde: mr. A.J. van Griethuysen).

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen de uitspraak op bezwaar van verweerder van 20 december 2019.

Overwegingen

1.De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
2. Een bezwaarschrift moet worden ingediend binnen zes weken nadat het besluit bekend is gemaakt (artikelen 6:7 en 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)).
In artikel 3:41 van Pro de Awb staat hoe dat bekendmaken gebeurt. In dit geval is het besluit bekendgemaakt op 20 februari 2019. Het bezwaarschrift had dus uiterlijk op 3 april 2019 door verweerder ontvangen moeten zijn. Verweerder heeft het bezwaarschrift ontvangen op 4 april 2019. Dat is dus te laat. De hoofdregel is dan dat verweerder het bezwaar niet inhoudelijk mag behandelen. Soms is dat anders. Dan is er een geldige reden waarom het bezwaarschrift te laat is ingediend. Het gaat dan om omstandigheden waar eiser niets aan kan doen.
3. De rechtbank heeft verweerder op 11 juni 2020 een brief gestuurd, waarin is gevraagd waarom verweerder het bezwaar ontvankelijk heeft verklaard. Verweerder heeft gereageerd op 16 juni 2020. Verweerder geeft aan dat het bezwaarschrift inderdaad buiten de wettelijke termijn van zes weken is ingediend en niet-ontvankelijk verklaard had dienen te worden.
4. Bij brief van 16 november 2020 heeft de rechtbank aan eiser gevraagd wat de reden is voor het te laat indienen van het bezwaarschrift. Eiser heeft gereageerd op
30 november 2020. Allereerst stelt eiser dat de kopie van het ingediende bezwaarschrift die verweerder heeft overlegd geen e-mailadres vanaf welke eiser het bezwaarschrift verzonden heeft bevat. Daarnaast staat ook niet vast dat het daadwerkelijk op de datum en tijd is ingediend zoals in de kopie van verweerder staat. Verder geeft eiser als reden dat hij het bezwaarschrift niet eerder kon indienen vanwege zijn ziekbed. Bij brief van 26 januari 2021 heeft eiser hier geen nieuwe reden aan toegevoegd.
5. De rechtbank is het niet eens met de stelling van eiser. Er staat duidelijk een datum en tijdstip op het ingediende bezwaarschrift. Het is de verantwoordelijkheid van eiser om stukken te overleggen waaruit blijkt dat het bezwaarschrift wel tijdig is ingediend. Dit heeft eiser niet gedaan. Verder heeft de rechtbank begrip voor de situatie van eiser, maar ook onder deze omstandigheden is het de verantwoordelijkheid van eiser om op tijd bezwaar in te dienen, of dat voor hem te laten doen, zo nodig op nader aan te voeren gronden
(pro forma).
6. Verweerder had dus het bezwaar niet inhoudelijk mogen behandelen. Verweerder had het bezwaar niet-ontvankelijk moeten verklaren. Het beroep is daarom gegrond en de rechtbank vernietigt het besluit van verweerder. De rechtbank neemt nu zelf de beslissing op bezwaar en verklaart het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk. Het beroep wordt verder niet inhoudelijk behandeld. Verweerder hoeft geen nieuw besluit te nemen, omdat de rechtbank dat al heeft gedaan.
7. Dat betekent ook dat eiser een vergoeding krijgt voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. Verweerder moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) is dit een vast bedrag van € 534,-, omdat eiser een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor hem een beroepschrift in te dienen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
8. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiser betalen.
9. Eiser heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade, omdat de redelijke termijn als bedoelt in artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden. De rechtbank beoordeelt het verzoek aan de hand van het overzichtsarrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016 (ECLI:NL:HR:2016:252).
10. Uitgangspunt is dat de behandeling door de rechtbank niet binnen een redelijke termijn is geweest, als de uitspraak niet binnen twee jaar na de ontvangst van het bezwaarschrift is gedaan. Omdat de termijn op 4 april 2019 is aangevangen (de datum van ontvangst van het bezwaarschift van eiser) en de rechtbank uitspraak doet op 29 april 2021, is de termijn van de procedure in eerste aanleg 24 maanden en drie weken. Van bijzondere omstandigheden die een langere termijn dan twee jaar rechtvaardigen is niet gebleken. De redelijke termijn is daarom overschreden met drie weken. Daarmee correspondeert een vergoeding van immateriële schade van € 500,-. De overschrijding van de redelijke termijn is in het geheel toe te rekenen aan de rechtbank. De Staat dient daarom de schadevergoeding volledig te betalen.
11. Eiser heeft de rechtbank verzocht te bepalen dat wettelijke rente is verschuldigd over het te vergoeden griffierecht en de proceskosten en de vergoeding van immateriële schade vanaf vier weken na de datum van bekendmaking van deze uitspraak. De rechtbank zal dit verzoek ook toewijzen.

Beslissing

De rechtbank
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar van verweerder;
- verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit;
- veroordeelt de Staat (Ministerie van Justitie en Veiligheid) tot betaling van immateriële schadevergoeding aan eiseres van € 500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze wettelijke rente gaat in vanaf vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht dat eiser heeft betaald moet vergoeden, te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze wettelijke rente gaat in vanaf vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 534,- aan proceskosten, te vermeerderen van de wettelijke rente. Deze wettelijke rente gaat in vanaf vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak. Verweerder moet dit bedrag betalen aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van
K.F.K. Hoogbruin, griffier. De beslissing is uitgesproken op 29 april 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.