Deze bestuursrechtelijke uitspraak betreft het beroep van eiser tegen de uitspraak op bezwaar van verweerder. Het bezwaarschrift was ingediend na de wettelijke termijn van zes weken, namelijk één dag te laat. Verweerder had het bezwaar daarom niet-ontvankelijk moeten verklaren, maar had dit onterecht niet gedaan.
De rechtbank heeft partijen niet uitgenodigd voor een zitting en heeft schriftelijk de feiten en argumenten beoordeeld. Eiser voerde aan dat het bezwaarschrift wel tijdig was ingediend en dat ziekte hem verhinderde het eerder in te dienen, maar kon dit niet onderbouwen met bewijs.
De rechtbank oordeelde dat het de verantwoordelijkheid van eiser was om tijdig bezwaar in te dienen of dit te laten doen. Omdat verweerder het bezwaar onterecht ontvankelijk had verklaard, vernietigt de rechtbank dit besluit en verklaart het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk. Het beroep wordt niet inhoudelijk behandeld.
Daarnaast krijgt eiser een vergoeding van € 534,- aan proceskosten en € 500,- aan immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van de procedure. Verweerder moet ook het griffierecht vergoeden, met wettelijke rente vanaf vier weken na verzending van de uitspraak.