Eiser ontving voor 2018 een voorschot zorgtoeslag van €1.656,-. Verweerder stelde het recht op zorgtoeslag definitief vast op nihil vanwege het gezamenlijke toetsingsinkomen van eiser en zijn echtgenote. Eiser voerde aan dat zijn echtgenote ten onrechte als toeslagpartner werd aangemerkt, omdat zij sinds januari 2017 in een zorginstelling woont en een alleenstaande AOW-uitkering ontvangt.
Verweerder hield vast aan het toeslagpartnerschap voor het gehele jaar 2018, omdat de echtgenote pas vanaf 28 juni 2018 niet meer op hetzelfde adres stond ingeschreven en het verzoek tot echtscheiding niet was ingediend bij de rechtbank. Tijdens de zitting bleek echter dat het verzoek tot echtscheiding op 18 oktober 2018 was ingediend en de echtscheiding was uitgesproken, maar later in hoger beroep vernietigd, waardoor het huwelijk bleef bestaan.
Na schorsing van het onderzoek nam verweerder een nieuw besluit op 6 maart 2021 waarin het toeslagpartnerschap werd beëindigd per 1 november 2018, en de zorgtoeslag werd vastgesteld op €170,-. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerdere besluit niet-ontvankelijk en het beroep tegen het nieuwe besluit ongegrond, omdat verweerder de regelgeving correct had toegepast. Verweerder werd opgedragen het betaalde griffierecht te vergoeden.