ECLI:NL:RBMNE:2021:2593

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
25 mei 2021
Publicatiedatum
17 juni 2021
Zaaknummer
UTR - 20 _ 628
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbWet openbaarheid van bestuur
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond op weigering openbaarmaking en standpuntname Wob-verzoek richtlijn CVS

Eiser heeft via meerdere Wob-verzoeken documenten opgevraagd bij ZonMw over de totstandkoming van de richtlijn Chronisch Vermoeidheidssyndroom (CVS). ZonMw heeft gedeeltelijk geweigerd deze documenten openbaar te maken, wat tot bezwaar en vervolgens beroep heeft geleid.

Eiser wilde met het beroep ZonMw dwingen een standpunt in te nemen over zijn betrokkenheid bij de richtlijn CVS en de juistheid van het positieve beeld dat ZonMw hierover verspreidt. De rechtbank overweegt dat de Wob niet bedoeld is om bestuursorganen te verplichten standpunten in te nemen of verklaringen af te leggen.

De rechtbank oordeelt dat het verzoek om een standpunt in te nemen geen aanvraag in de zin van de Algemene wet bestuursrecht is en dat ZonMw geen publiekrechtelijke verplichting heeft om op dit verzoek te beslissen. De verwijzing van eiser naar het rapport ‘Ongekend onrecht’ leidt niet tot een andere uitkomst.

Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot gedeeltelijke weigering van openbaarmaking en het niet innemen van een standpunt is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 20/628

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 mei 2021 in de zaak tussen

[eiser] te [woonplaats] , eiser,

en

het bestuur van ZonMw, verweerder

(gemachtigde: J. Gorter).

Procesverloop

In het besluit van 18 juli 2019 (primair besluit) heeft verweerder de openbaarmaking van de documenten, waarvoor eiser op 11 januari 2019 en 9 mei 2019 verzoeken op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) heeft ingediend, gedeeltelijk geweigerd. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
In het besluit van 24 januari 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit voor zover het gericht is tegen de verzoeken op grond van de Wob -met een verbeterde motivering- ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 maart 2021 via Skype. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser heeft aan de hand van verschillende verzoeken om documenten in Wob-procedures de rol van verweerder bij de totstandkoming van de richtlijn Chronisch Vermoeidheidssyndroom (CVS) proberen te achterhalen. Volgens eiser heeft hij via de Wob-procedures voldoende stukken kunnen inzien om de rol van verweerder helder voor ogen te hebben. Het positieve beeld dat wordt geschetst over de richtlijn CVS is volgens eiser niet juist gebleken. Eiser wil aantonen dat verweerder niet gehandeld heeft zoals hij had horen te handelen.
2. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit, waarbij de openbaarmaking van een deel van de documenten waarvoor eiser een Wob-verzoek heeft ingediend, heeft geweigerd. Eiser heeft toegelicht dat hij met het instellen van beroep wil bereiken dat verweerder een standpunt inneemt over zijn betrokkenheid bij de totstandkoming van de richtlijn CVS. Volgens eiser heeft verweerder ten onrechte geweigerd een beslissing te nemen op zijn verzoek om te erkennen dat de richtlijn CVS op onjuiste en onvolledige gronden is gebaseerd en dat het positieve beeld dat verweerder heeft verspreid over de multidisciplinaire richtlijn niet juist is gebleken. Eiser legt een verband met de conclusies uit het rapport ‘Ongekend onrecht’ dat gaat over de toeslagenaffaire. Volgens eiser zijn de conclusies uit dat rapport ook in deze zaak relevant.
3. De rechtbank overweegt als volgt. Allereerst stelt de rechtbank vast dat eiser geen gronden heeft ingediend tegen de (gedeeltelijke) weigering tot openbaarmaking van de documenten waar het Wob-verzoek van eiser op ziet. Verder volgt de rechtbank verweerder in zijn standpunt dat de Wob-procedure niet bedoeld is voor verzoeken die tot doel hebben om een bestuursorgaan te dwingen om antwoorden, uitleg of verklaringen te geven of standpunten in te nemen. De hoogste bestuursrechter heeft dit geoordeeld in de uitspraak van 15 augustus 2018. [1] Het beroep van eiser tegen een besluit op een Wob-verzoek kan er dus niet toe leiden dat verweerder een standpunt inneemt over zijn betrokkenheid bij de richtlijn CVS.
4. De rechtbank volgt verweerder verder dat hij geen besluit hoeft te nemen op het verzoek van eiser om een standpunt in te nemen. Dit verzoek is namelijk geen aanvraag in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Onder aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen. [2] Er is geen sprake van een besluit, omdat er voor verweerder geen grondslag bestaat om een standpunt in te nemen over de richtlijn CVS. Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. [3] Omdat er dus geen publiekrechtelijke verplichting voor verweerder bestaat, heeft verweerder op dit punt geen besluit hoeven nemen.
5. De verwijzing van eiser naar de conclusies uit het rapport ‘Ongekend onrecht’, kan niet tot een andere uitkomst leiden. Nu er geen sprake is van een publiekrechtelijke verplichting van verweerder om een besluit te nemen komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling van de beroepsgrond van eiser dat de conclusie uit het rapport in deze zaak van belang zijn. De beroepsrond slaagt niet.
6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Reijnierse, rechter, in aanwezigheid van mr. R.P. Stehouwer, griffier. De beslissing is uitgesproken op 25 mei 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2716.
2.Zie artikel 1:3, derde lid, van de Awb.
3.Zie artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.