Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 juni 2021 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
Procesverloop
Overwegingen
1 augustus 2018 (een bedrag van in totaal € 8.541,46 bruto).
Rechtbank Midden-Nederland
Eiser ontving vanaf 1 januari 2016 een WW-uitkering en prepensioen, waarbij de uitkering werd vastgesteld met toepassing van artikel 47 van Pro de WW. Verweerder stelde vast dat eiser meer inkomsten had dan opgegeven, waardoor hij een te hoge WW-uitkering ontving. Verweerder herzag de uitkering en vorderde onverschuldigd betaalde bedragen terug over de periodes 1 februari 2016 tot 1 juli 2017 en 1 augustus 2017 tot 1 augustus 2018.
Eiser betwistte niet het te veel ontvangen bedrag, maar voerde aan dat het pensioeninkomen niet volledig op de uitkering mocht worden gekort en dat er dringende redenen waren om van terugvordering af te zien. Tevens stelde hij dat de herziening met terugwerkende kracht in strijd was met het rechtszekerheidsbeginsel.
De rechtbank oordeelde dat de wet geen ruimte biedt om af te wijken van de berekeningswijze van artikel 47 WW Pro en dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd dat de terugvordering onaanvaardbare gevolgen heeft. Wel stelde de rechtbank vast dat verweerder het bestreden besluit onvoldoende had gemotiveerd waarom het eiser redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat hij vanaf 1 augustus 2017 teveel uitkering ontving.
De rechtbank gaf verweerder daarom de gelegenheid om binnen zes weken deze motivering te herstellen en hield verdere beslissing aan, waaronder over proceskosten en griffierecht. De uitspraak is een tussenuitspraak en er is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: De rechtbank acht het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd en stelt verweerder in de gelegenheid dit te herstellen, waarna verdere beslissing volgt.