Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 juni 2021 in de zaak tussen
[eiser] uit [woonplaats] , eiser
de heffingsambtenaar van de gemeente [gemeente] , verweerder
Procesverloop
- [adres 1] ( woning 1), waarde € 1.754.000,- (UTR 20/3600);
- [adres 2] ( woning 2) waarde € 123.000,- (UTR 20/3601);
- [adres 3] ( woning 3) waarde € 134.000,- (UTR 20/3602);
- [adres 4] (woning 4) waarde € 171.000,- (UTR 20/3603);
- [adres 5] (achter) (de garage) waarde € 17.000,- (UTR 20/3604).
Overwegingen
rmet toelichting die ter zitting is gegeven, aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde van de garage niet te hoog is vastgesteld. Verweerder heeft gewezen op de verkoop van een garage aan de [adres 7] van 24 m2 die in december 2018 is verkocht voor € 22.500,- en op de verkoop van een garage aan de [adres 8] met een oppervlakte van 17 m2 die in januari 2019 is verkocht voor
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover het de woningen 2, 3 en 4 betreft;
- stelt de waardes van deze woningen, alle te [plaats] gelegen, voor het belastingjaar 2020 naar de waardepeildatum 1 januari 2019 als volgt vast:
- [adres 2] ( woning 2) € 118.000,-;
- [adres 3] ( woning 3) € 129.000,-;
- [adres 4] (woning 4) € 166.000,-;
- en bepaalt dat verweerder de aanslagen onroerendezaakbelastingen dienovereenkomstig vermindert;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.598,-;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 48,- aan eiser te vergoeden.
mr. P.J. Naus, griffier. De beslissing is uitgesproken op 4 juni 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.