ECLI:NL:RBMNE:2021:2677

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
4 juni 2021
Publicatiedatum
24 juni 2021
Zaaknummer
UTR 20/4306
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet waardering onroerende zakenArt. 17, derde lid, Wet WOZArt. 4, tweede lid, Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet waardering onroerende zaken
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling WOZ-waarde sportcomplex met recht van opstal

Eiseres, eigenaar van een sportcomplex met kantine, opslag en kleedruimtes, betwist de door verweerder vastgestelde WOZ-waarde van €1.672.000 per 1 januari 2019. Eiseres voert aan dat vanwege het recht van opstal en een toekomstige vergoeding van 23% van de waarde van aanwezige gebouwen zij slechts voor dat percentage aangeslagen zou mogen worden.

Verweerder heeft de waarde onderbouwd met een taxatieverslag op basis van de gecorrigeerde vervangingswaarde, waarbij rekening is gehouden met technische en functionele veroudering conform de taxatiewijzer Sport. De rechtbank volgt deze berekening en stelt vast dat eiseres geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die deze onderbouwing weerleggen.

De rechtbank overweegt dat de toekomstige vergoeding bij het einde van het recht van opstal geen invloed kan hebben op de waardepeildatum en dat de Wet WOZ geen mogelijkheid biedt om de aanslag te beperken tot 23% van de waarde. Daarom wordt het beroep ongegrond verklaard en blijft de vastgestelde WOZ-waarde gehandhaafd.

Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van het sportcomplex wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 20/4306

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 juni 2021 in de zaak tussen

[eiseres] , te [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. A.T. Leigh),
en

de heffingsambtenaar van de gemeente [gemeente] , verweerder.

(gemachtigde: B. Schras).

Procesverloop

Verweerder heeft bij beschikking van 29 februari 2020 op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde op 1 januari 2019 (hierna: de waardepeildatum) van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres] in [plaats] , voor het belastingjaar 2020 vastgesteld op € 1.672.000,-. Met de beschikking is in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan eiseres als eigenaar van de onroerende zaak voor het jaar 2020 opgelegde aanslag in de onroerendezaakbelastingen (hierna: de aanslag) van de gemeente [gemeente] , waarbij de waarde als heffingsmaatstaf is gehanteerd.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 15 oktober 2020 het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft via Skype for Business plaatsgevonden op 12 maart 2021. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verder zijn namens eiseres verschenen, [A] (voorzitter) en [B] (lid van het algemeen bestuur). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld door [taxateur] , taxateur.

Overwegingen

1. Eiseres is eigenaar van de onroerende zaak. De onroerende zaak is een sportcomplex met een kantine, opslag en twee kleedruimtes. Bij het sportcomplex hoort 1024 m2 grond.
Het sportcomplex ligt op grond, dat in eigendom is van de gemeente [gemeente] , waarop ten behoeve van eiseres een recht van opstal is gelegen.
De gemeente [gemeente] is eigenaar van de sportvelden, die in gebruik zijn bij eiseres. Hiervoor heeft eiseres als gebruiker een aanslag in de onroerendezaakbelastingen opgelegd gekregen. Hiertegen is geen bezwaar gemaakt.
2.1.
In geschil is of de waarde van de onroerende zaak te hoog bedrag is vastgesteld.
2.2.
Eiseres stelt dat de waarde van het object lager moet zijn. Eiseres wijst op haar recht van opstal en de gemaakte afspraak over de vergoeding die moet worden gegeven bij het eindigen van het recht van opstal na een periode van 40 jaren. Die vergoeding bestaat uit 23% van de waarde van de (nog) aanwezige gebouwen, werken en/of beplantingen. Daarom vindt eiseres dat zij maar voor 23% van de WOZ-waarde kan worden aangeslagen.
2.3.
Verweerder handhaaft in beroep de vastgestelde waarde. Op verweerder rust de bewijslast om de waarde van de woning aannemelijk te maken. Als onderbouwing van de waarde heeft verweerder een taxatieverslag overgelegd.
3. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat het object niet-courante niet-woning is. De waarde dient dan ook te worden bepaald aan de hand van de gecorrigeerde vervangingswaarde. [1] Bij de bepaling van de gecorrigeerde vervangingswaarde wordt rekening gehouden met de aard en bestemming van de zaak en ook de sinds de stichting van de zaak opgetreden technische en functionele veroudering. Die waarde moet dan worden bepaald per waardepeildatum.
3.1.
Verweerder heeft ter onderbouwing van de door hem vastgestelde waarde een taxatieverslag overgelegd, waarbij de waarde van het object is bepaald aan de hand van de gecorrigeerde vervangingswaarde. Hierbij is gebruik gemaakt van de taxatiewijzer Sport en de kengetallen die bij archetype S1603103 en S1703403 horen. De rechtbank kan de uitgangspunten en de berekening van verweerder volgen. Eiseres heeft tegen deze berekening van de gecorrigeerde vervangingswaarde geen feiten en omstandigheden aangevoerd, zodat de rechtbank van oordeel is dat verweerder geslaagd is in zijn bewijslast dat hij de gecorrigeerde vervangingswaarde niet te hoog heeft vastgesteld.
3.2.
Wat eiser heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. De in de toekomst liggende afspraak over welk bedrag vergoed gaat worden aan eiseres als opstaller heeft geen invloed op de waarde per waardepeildatum die nu aan de orde is, in dit geval 1 januari 2019. Hiermee kan bij de waardebepaling geen rekening worden gehouden. De Wet WOZ biedt overigens ook niet de mogelijkheid om eiseres, die juridisch gezien volledig eigenaar is van de onroerende zaak, anderszins slechts voor 23% van de WOZ-waarde aan te slaan. De beroepsgrond slaagt niet.
3.3.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde van de onroerende zaak niet te hoog is vastgesteld.
4. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M.H. van Ek, rechter, in aanwezigheid van
mr. P.J. Naus, griffier. De beslissing is uitgesproken op 4 juni 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
(de griffier is verhinderd
deze uitspraak te ondertekenen)
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 17, derde lid, van de Wet WOZ in samenhang met artikel 4, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet waardering onroerende zaken.