ECLI:NL:RBMNE:2021:2741

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
28 juni 2021
Publicatiedatum
28 juni 2021
Zaaknummer
UTR 21/196 en 21/198
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:41 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenvergoeding toegekend aan verzoekster na intrekking beroep

Verzoekster had bezwaar gemaakt tegen het besluit van de Belastingdienst om geen proceskostenvergoeding toe te kennen voor de bezwaarfase. Nadat de Belastingdienst alsnog een vergoeding van €525,- toekende, trok verzoekster haar beroep in en vroeg vergoeding van proceskosten voor de beroepsfase. De rechtbank stelde vast dat de Belastingdienst geen bezwaar had tegen vergoeding en veroordeelde deze tot betaling van €525,- aan verzoekster. Tevens werd het griffierecht aan verzoekster toegekend.

De procedure betrof bestuursrechtelijke proceskostenvergoeding conform artikel 8:75 en Pro 8:75a Awb en het Besluit proceskosten bestuursrecht. De rechtbank oordeelde dat de proceskostenvergoeding terecht was vastgesteld op 1 punt van €525,- met wegingsfactor 1. De uitspraak werd gedaan door rechter J.H. Lange en griffier A.M. Slierendrecht op 28 juni 2021 te Utrecht.

De uitspraak is openbaar gemaakt en partijen zijn geïnformeerd over de mogelijkheid tot het indienen van een verzetschrift binnen zes weken na verzending van de uitspraak.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de Belastingdienst tot betaling van €525,- aan proceskostenvergoeding aan verzoekster.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 21/196 en UTR 21/198

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 juni 2021 in de zaak tussen

[verzoekster] , te [woonplaats] (Polen), verzoekster

(gemachtigde: mr. R. Engwegen),
en

de Belastingdienst/Toeslagen, verweerder.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekster om vergoeding van haar proceskosten.

Overwegingen

1. Verweerder heeft op 31 december 2020 een besluit genomen. Verzoekster is hiertegen in beroep gegaan, omdat zij het er niet mee eens was dat verweerder geen proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase heeft toegekend. Op 10 juni 2021 heeft verweerder medegedeeld dat hij alsnog een proceskostenvergoeding toekent voor de bezwaarfase. Verweerder heeft daarmee gedaan wat verzoekster wilde. Verzoekster heeft daarna het beroep ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor haar proceskosten in de beroepsfase.
2. De rechtbank kan een partij de proceskosten van de tegenpartij laten betalen (artikel 8:75 en Pro 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb)).
3. Verweerder heeft in zijn brief van 10 juni 2021 meegedeeld dat hij een bedrag van € 525,- (1 punt op grond van het Bpb) zal toekennen als verzoekster haar beroep intrekt. Hieruit blijkt dat verweerder er geen bezwaar tegen heeft om de proceskosten van verzoekster te vergoeden.
4. De rechtbank stelt de proceskosten van verzoekster die verweerder moet betalen vast op
€ 525,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).
5. Verweerder moet ook het griffierecht aan verzoekster betalen (artikel 8:41 Awb Pro).

Beslissing

De rechtbank:
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 525,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Lange, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Slierendrecht, griffier
.De beslissing is uitgesproken op 28 juni 2021 en zal openbaar gemaakt worden door publicatie op rechtspraak.nl.
De rechter is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.