ECLI:NL:RBMNE:2021:2774

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
23 juni 2021
Publicatiedatum
29 juni 2021
Zaaknummer
UTR 20/4399
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 ZWArt. 12c, eerste lid, Dagloonbesluit
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling correctheid vaststelling dagloon Ziektewet door UWV

Eiseres, werkzaam als schoonmaakster via een derde belanghebbende, meldde zich op 30 maart 2020 ziek bij het UWV. Het UWV stelde haar dagloon voor de Ziektewet vast op €16,50 bruto, gebaseerd op een referteperiode van 20 tot en met 31 januari 2020 en een bruto SV-loon van €164,96. Eiseres maakte bezwaar tegen deze berekening omdat zij meent dat zij in die periode 28 uur per week werkte tegen een hoger uurloon, waardoor haar dagloon hoger zou moeten zijn.

De rechtbank oordeelt dat het UWV terecht is uitgegaan van de gegevens uit de polisadministratie, zoals bevestigd door vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep. Eiseres heeft onvoldoende aangetoond dat deze gegevens onjuist zijn. Bovendien kunnen uren die zij in de referteperiode bij een andere werkgever werkte niet worden meegenomen in de dagloonberekening van het dienstverband waaruit zij ziek is geworden.

De rechtbank ziet geen aanleiding om een deskundige te benoemen en verklaart het beroep ongegrond. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de vaststelling van het dagloon door het UWV wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 20/4399

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juni 2021 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] ,

eiseres,
(gemachtigde: mr. C.J.P. Liefting),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder,
(gemachtigde: drs. S. Barto).
Als derde-partij neemt aan het geding deel:
[derde belanghebbende], (gemachtigde: A.H.H van Gessel, verbonden aan [belanghebbende] ).

Inleiding

Eiseres werkte als schoonmaakster via [derde belanghebbende] en heeft zich per 30 maart 2020 ziekgemeld bij verweerder.
In het besluit van 12 mei 2020 (primair besluit) heeft verweerder aan eiseres meegedeeld dat zij recht heeft op ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW). In dit besluit heeft verweerder het dagloon van eiseres vastgesteld op € 16,50 bruto.
Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit, omdat ze het niet eens is met de hoogte van het dagloon zoals verweerder dat heeft berekend.
In het besluit van 23 oktober 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Verweerder heeft daarin toegelicht dat hij bij het berekenen van het dagloon niet gebonden is aan de CAO. Verder stelt verweerder zich op het standpunt dat hij terecht is uitgegaan van een referteperiode van
20 januari 2020 tot en met 31 januari 2020. In die periode heeft eiseres een bruto SV-loon verdiend van € 164,96. Op basis hiervan komt verweerder uit op een ZW-dagloon van
bruto € 16,50 (€ 164,96 : 10 (dagloondagen)).
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juni 2021 via Skype. Eiseres heeft aan de Skype-zitting deelgenomen, bijgestaan door haar gemachtigde. Gemachtigde van verweerder heeft telefonisch deelgenomen aan de zitting. Derde-partij heeft, met kennisgeving, niet deelgenomen aan de Skype-zitting.

Overwegingen

Het geschil
1. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit en voert in beroep – samengevat weergegeven – aan dat verweerder haar arbeidsverleden niet goed heeft beoordeeld. Eiseres heeft altijd gewerkt en premies afgedragen. Het kan volgens eiseres dus niet zo zijn dat haar dagloon zo laag is waardoor zij een lage ZW-uitkering ontvangt. Eiseres verzoekt de rechtbank om een deskundige te benoemen om na te gaan of het standpunt van verweerder klopt. Ter zitting heeft eiseres nader toegelicht dat verweerder weliswaar is uitgegaan van de juiste referteperiode, maar dat zij in die periode altijd 28 uur per week heeft gewerkt. Het dagloon zou daarom hoger moeten uitvallen.
Beoordeling door de rechtbank
2. In de ZW en het Dagloonbesluit zijn regels opgenomen over de manier waarop het dagloon moet worden vastgesteld. In deze zaak is van belang dat het dagloon moet worden berekend op basis van het loon dat is verdiend tijdens de referteperiode uit de dienstbetrekking waaruit de werknemer ziek is geworden. [1] Eiseres heeft zich op 30 maart 2020 ziekgemeld. Zij had toen een overeenkomst met [derde belanghebbende] . Bij de berekening van het dagloon moet dan ook worden gekeken naar het loon uit die overeenkomst. Verweerder heeft als referteperiode 20 januari 2020 tot en met 31 januari 2020 genomen. Ter zitting heeft eiseres toegelicht dat de referteperiode niet in geschil is.
3. Volgens eiseres heeft zij in de referteperiode altijd 28 uur per week gewerkt voor
€ 27,- per uur. Eiseres betwist daarom dat zij in de referteperiode maar € 164,96 heeft verdiend. Dit bedrag heeft verweerder echter overgenomen uit de polisadministratie. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep [2] mag verweerder uitgaan van de gegevens uit de polisadministratie, tenzij eiseres aantoont dat die gegevens onjuist zijn.
Dat heeft eiseres naar het oordeel van de rechtbank niet gedaan. Zoals verweerder heeft toegelicht – en ook blijkt uit de stukken – heeft eiseres in de referteperiode wel meer gewerkt dan is meegenomen in de dagloonberekening, maar deze uren kunnen niet worden meegerekend omdat ze zijn gewerkt in een andere overeenkomst (bij [bedrijf] ), en dus niet in het dienstverband waaruit eiseres ziek is geworden. Ook uit de door eiseres overgelegde jaaropgave van 2020 blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet dat zij in de dienstbetrekking met [derde belanghebbende] in de referteperiode meer heeft gewerkt dan door verweerder is aangenomen.
Conclusie
4. Verweerder heeft het dagloon van eiseres correct vastgesteld. De rechtbank ziet geen aanleiding om een deskundige te benoemen. Het beroep is ongegrond.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C.A. van Kuijeren, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.P. Brand, griffier. De beslissing is uitgesproken op 23 juni 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 15 van Pro de ZW en artikel 12c, eerste lid, van het Dagloonbesluit.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 1 augustus 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2679.