ECLI:NL:RBMNE:2021:2796

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
29 juni 2021
Publicatiedatum
29 juni 2021
Zaaknummer
UTR 21/572
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.17 Wet studiefinanciering 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen terugvordering studentreisproduct wegens meerinkomen 2016

Eiser ontving studiefinanciering en een studentenreisproduct voor zijn HBO-opleiding en stopte de reisvoorziening in augustus 2016. Verweerder stelde vast dat eiser in 2016 € 1.664,23 te veel had verdiend, wat leidde tot een terugvordering van € 797,28 voor acht maanden studentenreisproduct.

Eiser betwistte de terugvordering met het argument dat het te laat was, hij de OV-kaart nauwelijks gebruikte en niet op de hoogte was van de bijverdienregels. De rechtbank overwoog dat de Wet studiefinanciering 2000 duidelijk voorschrijft dat bij meerinkomen boven de grens een terugvordering volgt, en dat verweerder eiser voldoende heeft geïnformeerd over deze regels.

De berekening van het terug te vorderen bedrag is gebaseerd op de wettelijke waarde per maand van het studentenreisproduct en het aantal maanden dat eiser de voorziening had. De rechtbank vond geen onduidelijkheid in de communicatie en oordeelde dat de late bekendmaking van het meerinkomen geen onrechtmatigheid oplevert. Het beroep is daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen de terugvordering van € 797,28 wegens meerinkomen in 2016 is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 21/572

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 juni 2021 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser,

en

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder

(gemachtigde: mr. D. Cuiper).

Procesverloop

In het besluit van 5 november 2020 (primair besluit) heeft verweerder vastgesteld dat eiser in 2016 te veel heeft bijverdiend en als gevolg daarvan een bedrag van € 797,28 voor de reisvoorziening teruggevorderd.
In het besluit van 24 december 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft via Skype for Business plaatsgevonden op 1 juni 2021. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser ontving voor zijn HBO studie Business IT & Management een studiefinanciering en een studentenreisproduct. Voor 2016 heeft eiser zijn lening stopgezet. Op 22 augustus 2016 heeft eiser zijn studentenreisproduct stopgezet.
Bestreden besluitvorming
2. Verweerder heeft het inkomen van eiser op 4 maart 2020 gecontroleerd bij de Belastingdienst. Uit die controle bleek dat eiser in 2016 in totaal € 1.664,23 te veel heeft verdiend. Eiser ontving in 2016 geen basisbeurs en/of aanvullende beurs, maar wel een reisvoorziening. Eiser heeft deze reisvoorziening in augustus 2016 stopgezet. Omdat eiser in 2016 te veel heeft bijverdiend, moet eiser volgens verweerder voor de reisvoorziening in 2016 € 797,28 terugbetalen.
Gronden van beroep
3. Eiser is het er niet mee eens dat hij geld moet terugbetalen. Hij voert aan dat het wel heel laat is om nu nog geld terug te vorderen. Ook voert hij aan dat hij de OV-kaart in 2016 bijna niet meer heeft gebruikt, omdat hij geen lessen meer volgde. Daarnaast was hij zich niet bewust van deze ‘bijverdienwet’. Het is nooit eisers bedoeling geweest om fraude te plegen met zijn inkomen. De berekeningen die verweerder heeft gemaakt zijn volgens eiser bijzonder onduidelijk gecommuniceerd.
Oordeel van de rechtbank
4. De rechtbank stelt voorop dat uit de Wet studiefinanciering 2000 zoals die geldig was in 2016 volgt dat indien de student meer inkomen heeft dan het toetsingsinkomen, verminderd met de beslagvrije voet (in 2016: € 13.989,13), dit leidt tot een vordering van verweerder op de student. Deze vordering kan op grond van artikel 3.17, zevende lid, van de Wet studiefinanciering 2000 onder andere bestaan uit een waarde voor de maanden dat de betrokken student beschikking had over een studentenreisvoorziening. [1] De waarde per maand voor een studentenreisvoorziening was in 2016 € 99,66. [2]
5. De rechtbank stelt vast dat eiser in 2016 € 15.653,36 heeft verdiend, dat meer is dan de vastgestelde bijverdiengrens in 2016. Eiser heeft dit ook niet betwist.
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het bedrag van € 797,28 heeft kunnen terugvorderen. Daartoe overweegt de rechtbank dat verweerder eiser voldoende heeft geïnformeerd over de regels over bijverdienen. Op de website van verweerder staan de regels vermeld die van toepassing zijn op de student, die studiefinanciering ontvangt en daarnaast bijverdient. Verder heeft verweerder in het bestreden besluit nog verwezen naar de folder ‘Studiefinanciering Bijverdienen 2016’. Eiser heeft de beschikbaarheid van deze informatie niet betwist. Dat eiser niet op de hoogte was van de regels over bijverdienen, komt voor rekening en risico van eiser zelf. De berekening die verweerder heeft gemaakt is gebaseerd op de Wet studiefinanciering 2000. Zoals reeds overwogen, was de waarde per maand voor een studentenreisvoorziening in 2016 € 99,66. Nu eiser op 22 augustus 2016 zijn studentenreisvoorziening heeft stopgezet, heeft verweerder op grond van artikel 3.17, zevende lid, van de Wet Studiefinanciering 2000 zoals die geldig was in 2016, het bedrag van € 99,66 vermenigvuldigd met acht (maanden), om zo tot een totaal van € 797,28 te komen. Verweerder kan niet afwijken van de Wet studiefinanciering 2000 en moet het totale bedrag terugvorderen. Niet is gebleken dat verweerder over het totaalbedrag onduidelijk heeft gecommuniceerd met eiser. De omstandigheid dat de berekening van het meerinkomen laat bekend is gemaakt aan eiser, maakt het bestreden besluit niet onrechtmatig. In de Wet studiefinanciering 2000 is namelijk geen termijn genoemd voor het opleggen van de vordering wegens meerinkomen.
7. Het beroep is ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, rechter, in aanwezigheid van
mr. A. Wilpstra-Foppen, griffier. De beslissing is uitgesproken op 29 juni 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Zie artikel 3.17, zevende lid, van de Wet studiefinanciering 2000 zoals die geldig was in 2016.
2.Zie paragraaf 4 ‘Overige WSF 2000’ van de Toelichting bij de Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 12 december 2015, nr. HO&S/860745 tot wijziging van onder meer de Regeling normen WSF 2000, WTOS en WSF BES, en de Regeling studiefinanciering 2000 (Staatscourant 2015, nummer 46833).