ECLI:NL:RBMNE:2021:2848

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
28 mei 2021
Publicatiedatum
2 juli 2021
Zaaknummer
UTR 20/3871
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking beroep zorg- en huurtoeslag 2019

Verzoeker had bezwaar gemaakt tegen de definitieve berekening van de zorg- en huurtoeslag over 2019 door de Belastingdienst. Na een primair besluit en een bestreden besluit waarin het bezwaar ongegrond werd verklaard, stelde verzoeker beroep in bij de rechtbank. Vervolgens herzag de Belastingdienst de toeslagberekening in het voordeel van verzoeker, waarna verzoeker het beroep introk en proceskostenvergoeding vorderde.

De rechtbank heeft op grond van artikel 8:54 Awb Pro zonder zitting uitspraak gedaan over het verzoek tot proceskostenveroordeling. Gelet op de tegemoetkoming van de Belastingdienst acht de rechtbank het verzoek kennelijk gegrond en veroordeelt de Belastingdienst tot vergoeding van proceskosten ad € 534,-, gelijk aan één punt voor het indienen van het beroepschrift.

Daarnaast wijst de rechtbank erop dat de Belastingdienst op grond van artikel 8:41, zevende lid, Awb verplicht is het betaalde griffierecht van € 48,- te vergoeden, waarvoor verzoeker zich rechtstreeks tot de Belastingdienst moet wenden.

De uitspraak is gedaan door rechter J.H. Lange en griffier S. Westerhof op 28 mei 2021 en is openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de Belastingdienst tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker ad € 534,-.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 20/3871

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 mei 2021 in de zaak tussen

[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker(gemachtigde: mr. F. Folkers),

en

de Belastingdienst/Toeslagen, verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 30 juni 2020 (primair besluit) heeft verweerder de zorg- en huurtoeslag van verzoeker voor 2019 definitief berekend.
In het besluit van 16 september 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
In het besluit van 5 maart 2021 heeft verweerder de definitieve berekening van de zorg- en huurtoeslag voor 2019 in het voordeel van verzoeker herzien.
Naar aanleiding hiervan heeft verzoeker het beroep ingetrokken met daarbij het verzoek verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek.
Verweerder heeft de rechtbank meegedeeld dat hij akkoord gaat met het vergoeden van één punt voor het indienen van het beroepschrift.

Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
2. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
3. Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop is verweerder tegemoet gekomen aan het beroep van verzoeker.
4. Het verzoek wordt als kennelijk gegrond toegewezen. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 534,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 534,- met een wegingsfactor 1).
5. De rechtbank wijst erop dat verweerder op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb verplicht is het door verzoeker betaalde griffierecht van € 48,- te vergoeden. Verzoeker zal zich hiervoor dan ook tot verweerder moeten wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 534,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Lange, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Westerhof, griffier. De beslissing is uitgesproken op 28 mei 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.