Eiseres, werkzaam als senior tactische opsporing, vroeg na twee jaar ziekte een WIA-uitkering aan. Verweerder kende haar een uitkering toe op basis van een arbeidsongeschiktheid van 38,01%, later gewijzigd naar minder dan 35%. Eiseres betwistte de maatmanberekening, met name de behandeling van consignatievergoeding en consignatie-uren.
De rechtbank oordeelde dat de consignatievergoeding wel als SV-loon moet worden beschouwd, omdat deze vergoeding onderdeel is van het loon in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964 en de Wet financiering sociale verzekeringen. Echter, consignatie-uren zijn geen arbeidstijd en mogen niet worden meegeteld bij de maatmanomvang, in lijn met het Simap-arrest en de definitie van bereikbaarheidsdiensten.
Verder stelde eiseres dat haar arbeidsduur onjuist was vastgesteld en dat de maand augustus 2017 vanwege een piek in consignatievergoeding niet representatief was. De rechtbank verwierp deze gronden, behalve dat de consignatie-uren niet meegeteld mogen worden. Dit leidt tot een lagere maatmanomvang van 31,18 uur per week in plaats van 38,01.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en gaf verweerder zes weken de tijd om het gebrek in het gewijzigde besluit te herstellen door een nieuwe berekening van de maatmanomvang en de mate van arbeidsongeschiktheid. Tot die tijd worden verdere beslissingen aangehouden.