ECLI:NL:RBMNE:2021:2933
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde van boven- en benedenwoning in Utrecht
Verweerder heeft de WOZ-waarden van een boven- en benedenwoning in Utrecht voor het kalenderjaar 2020 vastgesteld op respectievelijk €321.000 en €259.000. Eiser betwist deze waarden en vordert lagere bedragen van €205.000 voor de bovenwoning en €160.000 voor de benedenwoning.
De rechtbank oordeelt dat verweerder met behulp van taxatiematrices en een vergelijking met referentiewoningen aannemelijk heeft gemaakt dat de vastgestelde waarden niet te hoog zijn. De rechtbank wijst de klachten van eiser af dat de woningen niet inpandig zijn opgenomen en dat de staat van onderhoud onjuist is beoordeeld. Ook de stijging van de WOZ-waarde sinds 2016 wordt verklaard door de gebruikte marktgegevens.
Verder is het standpunt van eiser dat de verhuurde staat van de woningen invloed zou moeten hebben op de WOZ-waarde niet relevant, aangezien de Wet WOZ uitgaat van de waarde bij volle en onbezwaarde eigendom. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er volgt geen proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarden van de boven- en benedenwoning wordt ongegrond verklaard.