ECLI:NL:RBMNE:2021:295

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
11 januari 2021
Publicatiedatum
1 februari 2021
Zaaknummer
UTR 20/3369
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Staatsblad 2020, 134Artikel 5 Tijdelijke tegemoetkomingsregeling KO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen besluit over Tijdelijke tegemoetkomingsregeling kinderopvangtoeslag

Eiseres maakte bezwaar tegen het besluit van de Minister van Financiën waarin een tegemoetkoming werd vastgesteld op basis van de Tijdelijke tegemoetkomingsregeling kinderopvangtoeslag (KO). Zij betoogde dat zij recht had op een hogere vergoeding omdat zij meer opvanguren afnam dan het aantal uren waarover zij kinderopvangtoeslag ontving.

De rechtbank overwoog dat de regeling uitsluitend ziet op de eigen bijdrage voor het aantal uren waarvoor kinderopvangtoeslag is toegekend. Dit blijkt uit de gegevens die op de peildatum 6 april 2020 door de Belastingdienst/Toeslagen waren verwerkt en uit de toelichting bij de regeling. Kosten voor opvanguren waarover geen toeslag wordt ontvangen vallen buiten de regeling.

Omdat eiseres op de peildatum recht had op toeslag voor 95 opvanguren per maand, mocht de Minister de tegemoetkoming daarop baseren. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen het besluit over de tegemoetkoming kinderopvangtoeslag wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 20/3369

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

11 januari 2021 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres,

en

de Minister van Financiën, verweerder

(gemachtigde: mr. P.A. van Dijk).

Procesverloop

In het besluit van 30 juni 2020 (primair besluit) heeft verweerder op grond van de Tijdelijke tegemoetkomingsregeling KO een vergoeding van € 628,- vastgesteld.
In het besluit van 21 september 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari 2021 via Skype for Business. Eiseres is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk ter zitting uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
2. De Tijdelijke tegemoetkomingsregeling KO (de Regeling) regelt de tegemoetkoming voor de eigen bijdrage van de ouders in de kosten voor kinderopvang, in de periode van 16 maart 2020 tot en met 19 mei 2020, waarin in verband met COVID-19 de kinderopvanglocaties waren gesloten.
3. Verweerder heeft de tegemoetkoming waar eiseres aanspraak op maakt vastgesteld op
€ 628.-. Daarbij is verweerder uitgegaan van de gegevens die op 6 april 2020 (de peildatum) door de Belastingdienst/Toeslagen verwerkt waren. Uit die gegevens blijkt dat eiseres op dat moment in aanmerking kwam voor kinderopvangtoeslag voor 95 opvanguren per maand.
4. Eiseres voert aan dat zij gebruik maakt van 95 opvanguren per kind per maand. Vanwege het aantal uren dat zij werkt, komt eiseres niet in aanmerking voor kinderopvangtoeslag voor al deze uren, maar slechts voor 49 opvanguren per maand. Eiseres heeft uit de berichtgeving van de overheid over de Tijdelijke tegemoetkomingsregeling KO echter begrepen dat de volledige eigen bijdrage wordt vergoed. Eiseres verstaat daaronder: de kosten die zij heeft betaald aan de kinderopvang, minus de kinderopvangtoeslag die zij ontvangt van de Belastingdienst/Toeslagen. Dus ook de kosten over de 46 uur kinderopvang waarover zij geen toeslag ontvangt. Zij is daarom van mening dat zij aanspraak maakt op een hogere tegemoetkoming. Doordat zij als gevolg van haar melding eind april over een minder aantal uren kinderopvangtoeslag ontvangt, is haar eigen bijdrage immers hoger.
5. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of de in de Regeling bedoelde vergoeding van de eigen bijdrage ten behoeve van kinderopvang (ook) ziet op betalingen verricht ten behoeve van de kinderopvanguren waarover geen toeslag wordt ontvangen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
6. Uit artikel 5 van Pro de Regeling blijkt dat de gegevens die bepalend zijn voor de hoogte van de tegemoetkoming (…) de gegevens zijn zoals die zijn verwerkt bij de Belastingdienst/Toeslagen op 6 april 2020. Uit de Nota van Toelichting bij de Regeling [1] blijkt vervolgens welke gegevens dat betreffen. Daaruit volgt dat de tegemoetkoming alleen ziet op de eigen bijdrage in de kosten van de kinderopvang in de periode van 16 maart 2020 tot en met 19 mei 2020 van het aantal toegekende uren waarvoor de ouder kinderopvangtoeslag heeft ontvangen. Andere kosten vallen daardoor buiten de tegemoetkoming. Het gegeven dat eiseres per 29 april 2020 het aantal uren waarover zij kinderopvangtoeslag vraagt heeft geminderd, waardoor ze met terugwerkende kracht vanaf 1 april 2020 meer moet bijdragen aan de door haar afgenomen kinderopvang, levert geen grondslag op voor een tegemoetkoming in die kosten.
7. Dat eiseres op de peildatum van 6 april 2020 over 95 uur kinderopvangtoeslag ontving is niet in geschil. Verweerder heeft de tegemoetkoming daarom kunnen baseren op 95 opvanguren per maand.
8. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Slierendrecht, griffier. De beslissing is uitgesproken op 11 januari 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Staatsblad 2020, 134.