Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
2.TENLASTELEGGING
3.VOORVRAGEN
- het incident had plaatsgevonden op zondag 26 april 2020 omstreeks 21:00 uur;
- hij met een vriend reed in een zwarte Skoda Fabia;
- hij bij een kruising in Oog in Al kwam aanrijden
- er opeens een persoon overstak;
- hij deze persoon met het voertuig geraakt had;
- hij erg was geschrokken en niet wist wat hij moest doen; [10]
- zijn moeder hem vertelde dat hij zich moest melden.
A: Spijkerbroek licht van kleur, een hoodie, zwart van kleur met allerlei kleurtjes op de voorzijde.
V: We hebben beelden van benzinestation De Haan in Overvecht waar jij op staat. Wat deed je daar?
A: Ik heb daar twee jerrycans met benzine gevuld. [11]
- man;
- +-25 jaar oud;
- zwarte pet met daaronder lang donker krullend haar;
- donkere hoodie met witte accenten op de mouwen en op de borst;
- jeansbroek met witte accenten. [14]
- hypothese V1: de vezelsporen op de folie zijn afkomstig van de kleding van de verdachte;
- hypothese V2: de vezelsporen op de folie zijn afkomstig van (een) willekeurig ander(e) textiel(e) voorwerp(en).
- hypothese G1: de onderzochte glassporen op de kleding van de verdachte zijn (deels) afkomstig van het referentieglas;
- hypothese G2: alle onderzochte glassporen op de kleding van de verdachte zijn afkomstig van (een) willekeurig andere ruit(en).
Ernstige schending verkeersregels
Opzettelijk
(pagina 270 van het dossier). Daarna heeft verdachte het slachtoffer, dat het kruispunt was opgelopen en vanwege het groene verkeerslicht voorrang had op verdachte, aangereden. De rechtbank is van oordeel dat de hierboven vermelde gedragingen, in samenhang bezien, naar hun uiterlijke verschijningsvorm gericht zijn op opzettelijke ernstige schending van de verkeersregels.
Gevaar te duchten
5.BEWEZENVERKLARING
6.STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN
overtreding van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood;
overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.
7.STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE
8.OPLEGGING VAN STRAF
9.BESLAG
10.TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN
11.BESLISSING
gevangenisstraf van 15 maanden;
- ontzegtverdachte ter zake van het onder feit 1 subsidiair bewezen verklaarde
de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 jaren; - bepaalt dat de duur van de ontzegging wordt verminderd met de tijd gedurende welke het rijbewijs vóór het tijdstip waarop de straf ingaat, ingevorderd en ingehouden is geweest;
teruggave aan verdachtevan de volgende voorwerpen:
- 1 STK Jas G2619818;
- 1 STK Broek G2619820;
- 1 STK Trui G2619825;
- 1 PR Schoenen G2619828;
- 1 STK Pet G2619838;
- 1 STK Broek G2619839;
- 1 STK Vest G2619840;
- 2 STK Schoenen G2621473;
- 1 STK Schoenen G2621538.
teruggave aan de rechthebbendevan het volgende voorwerp: