Eiser, minderjarig en woonachtig in Nederland, diende op 20 maart 2019 een verzoek tot na-naturalisatie in. Dit verzoek werd afgewezen vanwege een verblijfsgat veroorzaakt door de intrekking van de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht vanaf 11 oktober 2017. De intrekking volgde op emigratie van de vader van eiser naar Groot-Brittannië, waarna eiser pas op 13 augustus 2020 een nieuwe verblijfsvergunning kreeg voor verblijf bij zijn moeder.
Na het bestreden besluit ging eiser in bezwaar tegen de intrekking van zijn verblijfsvergunning. Dit bezwaar werd op 15 april 2021 gegrond verklaard, waarna de verblijfsvergunning werd verlengd tot 21 oktober 2025. Hierdoor bestond het verblijfsgat niet meer.
De rechtbank oordeelt dat verweerder bij het bestreden besluit onvoldoende rekening heeft gehouden met de lopende verblijfsprocedure en het bezwaar van eiser. Het besluit tot afwijzing is daardoor onzorgvuldig genomen, omdat het werd genomen vier dagen na de intrekking van de verblijfsvergunning, zonder de uitkomst van het bezwaar af te wachten.
De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, rekening houdend met deze uitspraak. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht.