Uitspraak
uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 juli 2021 in de zaak tussen
[verzoeker], te [woonplaats], verzoeker
(gemachtigde: G. de Josselin).
Rechtbank Midden-Nederland
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Laren heeft op 3 juni 2021 een omgevingsvergunning verleend aan een vergunninghouder voor het realiseren van een uitweg op een perceel in [woonplaats]. Verzoeker maakte bezwaar tegen deze vergunning en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen in afwachting van de beslissing op bezwaar.
De voorzieningenrechter besloot partijen niet uit te nodigen voor een zitting, omdat dat niet noodzakelijk werd geacht. Uit een verklaring van de vergunninghouder bleek dat hij bereid was te wachten met de uitvoering van de vergunning tot 1 september 2021. Verzoeker werd gevraagd het spoedeisend belang te onderbouwen of het verzoek in te trekken.
De voorzieningenrechter oordeelde dat er geen spoedeisend belang was, omdat de realisatie van de uitweg niet voor 1 september 2021 zou plaatsvinden en het college mogelijk voor die tijd al een beslissing op het bezwaar zou nemen. Een nieuw verzoek om voorlopige voorziening kon worden ingediend indien de realisatie daadwerkelijk dreigde.
Op basis van een voorlopige beoordeling was er geen aanleiding om ernstig aan de rechtmatigheid van het besluit te twijfelen. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de omgevingsvergunning is afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.