ECLI:NL:RBMNE:2021:30
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond op intrekking bijstand wegens niet hoofdverblijf op uitkeringsadres
Eiser ontving sinds 2010 bijstand en werd in 2019 geconfronteerd met een besluit tot intrekking van de bijstand en terugvordering van een bedrag van €36.750,27 vanwege vermoedens dat hij niet op het uitkeringsadres verbleef. Daarnaast werd een boete opgelegd. Verweerder baseerde dit op een extreem laag waterverbruik van slechts 1m³ in de relevante periode, wat volgens vaste jurisprudentie duidt op het ontbreken van hoofdverblijf.
Eiser voerde aan dat het lage waterverbruik mogelijk werd veroorzaakt door een meterwissel en wees op zijn persoonlijke omstandigheden, waaronder psychische klachten en substantieel stroomverbruik. De rechtbank oordeelde echter dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij zijn hoofdverblijf wel op het uitkeringsadres had, mede omdat het stroom- en gasverbruik fors onder het gemiddelde lag.
De rechtbank stelde vast dat eiser zijn inlichtingenplicht had geschonden door niet te melden dat hij niet op het uitkeringsadres verbleef. De stelling dat er geen verwijtbaarheid was vanwege psychische problematiek werd niet gevolgd, omdat medische stukken geen bewijs boden dat eiser niet in staat was melding te maken.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het bestreden besluit bleef in stand. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot intrekking van bijstand en oplegging van een boete wordt ongegrond verklaard.