ECLI:NL:RBMNE:2021:3023

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
1 juli 2021
Publicatiedatum
12 juli 2021
Zaaknummer
UTR 20/4062
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek ontheffing griffierecht wegens niet voldoen betalingsonmacht

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen waarin zijn aanvraag voor een tegemoetkoming op basis van de Tofa-regeling werd afgewezen omdat het sv-loon te laag was.

Eiser verzocht om ontheffing van het griffierecht wegens betalingsonmacht, maar heeft niet voldoende informatie verstrekt over zijn vermogen om dit aannemelijk te maken. De rechtbank wees dit verzoek af en gaf eiser de mogelijkheid om het griffierecht alsnog te voldoen.

Ondanks meerdere kansen heeft eiser het griffierecht niet betaald. De rechtbank verklaart het beroep daarom niet-ontvankelijk op grond van artikel 8:54 Awb Pro, omdat niet is voldaan aan het vereiste van betaling van griffierecht zoals bepaald in artikel 8:41 Awb Pro.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet voldoen van het griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 20/4062

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 juli 2021 in de zaak tussen

[eiser] , te [plaats] , eiser,

en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,verweerder
(gemachtigde: M. van Leeuwen).

Inleiding

1.1.
Met het besluit van 13 juli 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van
eiser voor een tegemoetkoming op basis van de Tofa-regeling afgewezen. Het sv-loon over de maand februari 2020 is namelijk lager dan € 400,-. Dit is één van de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de tegemoetkoming.
1.2
Met het besluit van 25 september 2020 (het bestreden besluit) is het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3
Eiser heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
1.4
Het onderzoek ter zitting heeft op 7 april 2021 plaatsgevonden door middel van een Skype-verbinding. Eiser was aanwezig. Verweerder is met bericht vooraf niet verschenen.

Overwegingen

2. Eiser heeft een verzoek gedaan tot ontheffing van betaling van het griffierecht wegens
betalingsonmacht. Ter zitting heeft de rechtbank dit verzoek afgewezen. Eiser heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat hij aan de twee criteria voldoet voor het aannemen van betalingsonmacht, zoals door de Centrale Raad van Beroep (CRvB) is geformuleerd [1] . Hoewel aannemelijk is dat eiser nu geen inkomsten heeft, heeft hij onvoldoende informatie gegeven over zijn eventuele vermogen.
3. De rechtbank heeft de afwijzing van dit verzoek in een brief van 6 mei 2021 aan partijen
kenbaar gemaakt. Zij heeft daarin ook aan eiser medegedeeld dat hij binnen twee weken na verzending van de brief het griffierecht kan voldoen. De rechtbank heeft eiser hierbij erop gewezen dat indien hij het griffierecht niet binnen deze termijn heeft betaald, het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard. Indien het griffierecht wel binnen deze termijn is voldaan, dan ontvangen partijen binnen twee weken na betaling daarvan de uitspraak.
4. Vervolgens heeft eiser op 5 juni 2021 schriftelijk aan de rechtbank te kennen gegeven
dat hij gebruik wenst te maken van de gelegenheid om alsnog het griffierecht te voldoen.
5. Met de brief van 11 juni 2021 heeft de rechtbank eiser uit coulance in de gelegenheid
gesteld om binnen één week na verzending van de brief alsnog het griffierecht te voldoen.
6. De rechtbank stelt vast dat eiser hieraan geen gehoor heeft gegeven. Eiser heeft daarom
niet voldaan aan het vereiste van artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waarin is bepaald dat de indiener van het beroepschrift griffierecht moet betalen. In het geval van eiser bedraagt dit € 48,-.
7. Het beroep zal niet inhoudelijk worden behandeld en de rechtbank zal geen uitspraak over het beroep doen. Het beroep is namelijk kennelijk niet-ontvankelijk als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Awb.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.H.J.M. Veldman-Gielen, in aanwezigheid van
mr. L.M.A. Koeman, griffier. De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op
1 juli 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven

Voetnoten

1.ECLI:NL:CRVB:2015:282 (http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2015:282).