De kantonrechter van Rechtbank Midden-Nederland behandelde op 24 juni 2021 een verzoek van de bewindvoerder en mentor van betrokkene, die onder bewind staat sinds november 2019. Het verzoek betrof het verkrijgen van toestemming om namens betrokkene zienswijzen en bezwaar te maken tegen de bouw van windturbines nabij haar woning, alsmede het indienen van een planschadeclaim en een handhavingsverzoek.
Tijdens de zitting werd verweer gevoerd door de andere kinderen van betrokkene, die stelden dat betrokkene niet wilde dat haar naam verbonden zou worden aan het stagneren van de bouw. De kantonrechter oordeelde dat onvoldoende is gesteld of gebleken dat betrokkene een belang heeft bij het indienen van zienswijzen of het maken van bezwaar. Daarom werd dit verzoek afgewezen.
Daarnaast werd het verzoek om een handhavingsverzoek in te dienen afgewezen, omdat de windturbines nog niet gebouwd zijn en er nog geen concrete overtreding of hinder is. Wel werd toestemming gegeven voor het indienen van een planschadeclaim wegens waardevermindering van de woning, mits is vastgesteld dat deze claim namens betrokkene kan worden ingediend. De kantonrechter vond het argument dat het indienen van de claim onrust zou veroorzaken onvoldoende onderbouwd, mede omdat de procedure door de bewindvoerder wordt gevoerd.
De beschikking is in het openbaar uitgesproken en bevat tevens informatie over de mogelijkheid tot hoger beroep binnen drie maanden na uitspraak.