Verzoekers, omwonenden van een horecabedrijf in het centrum van Utrecht, maakten bezwaar tegen de tijdelijke omgevings- en exploitatievergunningen voor een terras in de binnentuin van het horecabedrijf. Het college en de burgemeester hadden deze vergunningen verleend op basis van beleidsregels die waren opgesteld in het kader van COVID-19 maatregelen.
De voorzieningenrechter beoordeelde de rechtmatigheid van de besluiten en concludeerde dat de inhoudelijke bezwaren van verzoekers tegen de belangenafweging grotendeels niet slagen. Wel was extra motivering nodig in de bezwaarprocedure, met name over de afwijking van het bestemmingsplan en de toepassing van het Terrassenreglement op een terras dat niet aan de openbare weg ligt.
De voorzieningenrechter vond dat het belang van vergunninghouder om het terras open te houden zwaarder weegt dan het belang van verzoekers om het te sluiten, mede gezien de beperkte omvang van het terras, de beperkte openingstijden en het ontbreken van aantoonbare onaanvaardbare geluidsoverlast.
De voorzieningenrechter wees ook de zorgen van verzoekers over het proces en de vrees voor een permanent terras toe, maar oordeelde dat deze geen aanleiding geven tot het treffen van een voorlopige voorziening. De vergunningen zijn tijdelijk en vervallen uiterlijk 1 november 2021 of eerder als coronamaatregelen vervallen. De verzoeken om voorlopige voorziening werden daarom afgewezen.