ECLI:NL:RBMNE:2021:3063
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen vastgestelde WOZ-waarde van appartement in Utrecht
Eiser betwistte de door verweerder vastgestelde WOZ-waarde van zijn appartement te Utrecht, die was vastgesteld op €261.000,- voor het belastingjaar 2020. Eiser stelde een lagere waarde van €240.000,- voor en voerde verschillende bezwaren aan tegen de gehanteerde referentiepanden en de wijze van waardebepaling.
Verweerder onderbouwde de vastgestelde waarde met een taxatiematrix waarin de woning werd vergeleken met referentiewoningen van hetzelfde type en met vergelijkbare gebruiksoppervlakte. De rechtbank oordeelde dat verweerder hiermee aannemelijk had gemaakt dat de waarde niet te hoog was vastgesteld. Diverse beroepsgronden van eiser werden ingetrokken of onvoldoende onderbouwd.
De rechtbank nam ook kennis van de marktanalyses en de omstandigheden van de referentieobjecten, waaronder een pand dat was verkocht vanwege een nalatenschap en een buurpand met gebreken. Deze factoren maakten dat de genoemde verkoopprijzen niet als marktconform konden worden beschouwd.
Gelet op de toelichting en het bewijs van verweerder concludeerde de rechtbank dat de WOZ-waarde terecht was vastgesteld en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €261.000,- is ongegrond verklaard.