De werknemer trad in 1996 in dienst bij de werkgever en viel in 2014 uit wegens ziekte. Na het einde van de loondoorbetalingsperiode in 2016 kreeg de werknemer geen WIA-uitkering van het UWV, maar trad in 2017 bij een andere werkgever in dienst. De arbeidsovereenkomst met de oorspronkelijke werkgever bleef formeel bestaan, een zogenaamd slapend dienstverband.
De werknemer verzocht in 2020 de werkgever mee te werken aan beëindiging van het dienstverband met toekenning van een transitievergoeding van €32.604,02. De werkgever weigerde, stellende dat geen sprake was van arbeidsongeschiktheid in de zin van de wet en dat compensatie van de transitievergoeding door het UWV niet te verwachten was.
De kantonrechter oordeelde dat de werknemer door een arbeidsconflict medisch gezien arbeidsongeschikt was voor zijn functie bij de werkgever, ondanks het ontbreken van een WIA-uitkering. De medische rapportages van bedrijfsarts en verzekeringsarts bevestigden beperkingen door het arbeidsconflict die als ziekte of gebrek kwalificeren. De werkgever had geen gerechtvaardigd belang bij instandhouding van het dienstverband.
Daarom was de werkgever op grond van goed werkgeverschap verplicht mee te werken aan de beëindiging van het slapend dienstverband met betaling van de wettelijke transitievergoeding. De werkgever werd veroordeeld tot medewerking aan het sluiten van een vaststellingsovereenkomst en tot betaling van de transitievergoeding, incassokosten en proceskosten. Tevens werd een dwangsom opgelegd voor het niet naleven van de verplichtingen.