ECLI:NL:RBMNE:2021:3090
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen WOZ-waarde vaststelling woning afgewezen wegens voldoende onderbouwing
De zaak betreft een beroep van een huurder tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning in Utrecht voor het belastingjaar 2019, vastgesteld op €203.000,-. De huurder stelde een lagere waarde van €184.000,- voor en overhandigde een taxatierapport. Verweerder, de heffingsambtenaar van de gemeente, handhaafde de waarde en overlegde een taxatiematrix met referentiewoningen.
De rechtbank oordeelde dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld. De waardebepaling is gebaseerd op een vergelijkingsmethode met referentiewoningen van hetzelfde type, waarbij rekening is gehouden met verschillen in gebruiksoppervlakte en inhoud. De rechtbank verwierp de bezwaren van eiser over de vergelijking met koopwoningen en de staat van de referentieobjecten.
Daarnaast wees de rechtbank het verzoek om een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn af, omdat het financiële belang van de huurder nihil is en bijzondere omstandigheden de overschrijding rechtvaardigen.
Het beroep is daarmee ongegrond verklaard en er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde is ongegrond verklaard en het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding is afgewezen.