Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van 15 juli 2021 in de zaak tussen
[eiseres 1] B.V.,
de Centrale Commissie Dierproeven (CCD), verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Besluitvorming
Daarnaast meent verweerder dus ook dat [eiseres 1] ook geen eigen belang heeft. De omstandigheid dat de dierproeven in de praktijk niet door [eiseres 2] maar door [eiseres 1] worden uitgevoerd, maakt dit niet anders volgens verweerder. Dit volgt ook niet uit het projectvoorstel. Bovendien worden de dierproeven ten behoeve van het runderserum voor [eiseres 1] verricht bij het [naam 2] en [naam 2] maakt onderdeel uit van de [eiseres 2] . Het staat [eiseres 1] vrij om opdracht te geven aan een ander instituut om runderserum te produceren of te kopen om de vrijgifte tests mee te verrichten. De omstandigheid dat [eiseres 1] geraakt zou kunnen worden in haar vermogensrechtelijke positie is dus niet te wijten aan het besluit van verweerder. Evenmin ziet verweerder dat [eiseres 1] door het bestreden besluit in een, aan de vrijheid van ondernemerschap en fundamenteel recht op eigendom rakend belang zal worden geschaad.
Daarnaast heeft [eiseres 1] een ander zelfstandig, eigen belang dat rechtstreeks bij het besluit is betrokken. Door het besluit van verweerder wordt [eiseres 1] gedwongen het project uit te voeren op een naar haar oordeel onethische wijze door middel van de inzet van meer proefdieren dan noodzakelijk en met onnodig ongerief voor de proefdieren. Het is [eiseres 1] die hierdoor de nodige financiële en publicitaire risico’s loopt. Dit raakt [eiseres 1] rechtstreeks in haar vermogensrechtelijke positie.
Ook bestaat een reële mogelijkheid dat [eiseres 1] als gevolg van het bestreden besluit geraakt wordt in haar vrijheid van ondernemerschap en het fundamentele recht op eigendom.
Het toezicht houden op het transport van dieren is vervolgens in Nederland voorbehouden aan de toezichthouder in kwestie en dat is de NVWA. Het is daardoor de taak van de NVWA, en niet die van verweerder, om te beoordelen of de dieren worden vervoerd conform de eisen van de Transportverordening. Dit volgt onder meer uit de tekst van het Interventiebeleid Diertransport (IB01 SPEC17) van de NVWA. Uit een brief van
27 november 2017 van de NVWA volgt dat de NVWA onderzoek heeft gedaan naar de mogelijkheden van het vervoer van hoogdrachtige en pasgeboren runderen in relatie tot het gebruik van deze dieren in dierproeven. Dit onderzoek heeft geleid tot een NVWA-handhavingslijn waaruit volgt dat het transport van hoogdrachtige en pasgeboren runderen op grond van de Transportverordening in principe niet is toegestaan, maar dat de NVWA in de huidige tekst van bijlage I, hoofdstuk I, artikel 3, onder b, van de Transportverordening ruimte ziet om één uitzondering op dit transportverbod te maken. Dit betreft een situatie waarin aan de volgende voorwaarden voldaan moet worden. A) het gaat om het vervoer van dieren die een essentieel onderdeel uitmaken van de dierproef en waarvan de specifieke eigenschappen noodzakelijk zijn voor de dierproef en; B) het vervoer van die dieren kan niet uitgesteld worden gelet op de specifieke eigenschappen die de dieren hebben of het verkrijgen van deze dieren in de proefdierlocatie is niet mogelijk zonder het transport van deze dieren. De beoordeling of aan de voorwaarden van deze ene uitzondering wordt voldaan, wordt volgens de NVWA door de CCD betrokken in de projectevaluatie.
Conclusie rechtbank
Beslissing
mr. M.L. van Emmerik, leden, in aanwezigheid vanmr. M.M. van Luijk-Salomons, griffier. De uitspraak is uitgesproken op 15 juli 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.