Deze uitspraak betreft het verzet van opposant tegen de uitspraak van 6 november 2020, waarin het beroep van opposant tegen een besluit van het UWV van 2 april 2020 ongegrond werd verklaard vanwege het te laat indienen van het bezwaarschrift.
Opposant stelde dat het UWV op de hoogte was van zijn verblijfadres in Polen en dat belangrijke brieven naar dat adres hadden moeten worden gestuurd. Hij voerde aan dat het zorgvuldigheids- en vertrouwensbeginsel waren geschonden doordat het besluit alleen het taalprobleem besprak en niet zijn andere gronden.
De rechtbank oordeelde echter dat het UWV niet bekend was met een officieel adres in Polen en dat het besluit correct was verzonden naar het in Nederland bekende correspondentieadres, het adres van een familielid. Opposant had ervoor moeten zorgen dat zijn post werd waargenomen. Het beroep op de genoemde beginselen faalde.
Daarom bleef de uitspraak van 6 november 2020 in stand en werd het verzet ongegrond verklaard.