ECLI:NL:RBMNE:2021:3300

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
20 juli 2021
Publicatiedatum
21 juli 2021
Zaaknummer
C/16/484035 / FO RK 19-1059
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Tussenbeschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige zorgregeling en opstart contact tussen minderjarige en vader

De rechtbank Midden-Nederland behandelde een verzoek van een minderjarige om een tijdelijke zorgregeling en het opstarten van contact met haar vader na een periode van contactonderbreking. De minderjarige had eerder aangegeven stress te ervaren door het contact met haar vader en wenste twee jaar geen contact. Na gesprekken met de minderjarige, ouders en betrokken instanties stelde de kinderrechter het verzoek aanvankelijk uit om hulpverlening en bemiddeling af te wachten.

In juni 2021 vond een hernieuwd gesprek plaats met alle betrokkenen, waarna de kinderrechter besloot het contact tussen de minderjarige en haar vader weer op te starten. De kinderrechter benadrukte een langzame opbouw van het contact, met minimaal één fysiek contactmoment per maand, waarbij de inhoud en invulling in overleg worden bepaald. Er is een voorkeur uitgesproken voor begeleiding bij de contactmomenten, bij voorkeur door een instelling of anders een vertrouwenspersoon.

De kinderrechter stelde de definitieve beslissing over de zorgregeling uit tot 20 juli 2022, om te kunnen beoordelen hoe de voorlopige regeling verloopt. Indien nodig zal de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek starten. De minderjarige krijgt ook de beschikking toegezonden zodat zij de beslissing kan begrijpen. Het contact wordt gezien als belangrijk voor het welzijn van de minderjarige en haar vader, met ruimte voor uitbreiding van contactmomenten als dat goed verloopt.

Uitkomst: De rechtbank stelt een voorlopige zorgregeling vast waarbij het contact tussen de minderjarige en haar vader langzaam wordt opgebouwd met minimaal één fysiek contactmoment per maand en stelt de definitieve beslissing uit tot evaluatie over een jaar.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht
locatie Utrecht
zaaknummer: C/16/484035 / FO RK 19-1059
Beschikking van 20 juli 2021 op het ingekomen verzoek van:
[verzoekster] ,
wonende in [woonplaats] ,
de minderjarige,
hierna te noemen [verzoekster (voornaam)] .
Met als belanghebbenden:
[belanghebbende 1] ,
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen de moeder,
en
[belanghebbende 2] ,
wonende in Spanje,
hierna te noemen de vader,
advocaat mr. C.C.B. Boshouwers.

1.Hoe is het tot nu toe gegaan?

1.1.
Op 24 juni 2019 heeft de kinderrechter een e-mailbericht ontvangen van [verzoekster (voornaam)] waarin zij heeft aangegeven dat de omgang met de vader niet zo verloopt zoals zij dat graag zou willen. De omgang met haar vader geeft haar stress en zij heeft aangegeven dat zij het liefste twee jaar geen contact meer met haar vader wilde.
1.2.
De kinderrechter heeft toen op 9 september 2019 een gesprek gehad met [verzoekster (voornaam)] en daarna op 29 oktober 2019 met de ouders van [verzoekster (voornaam)] , waarbij de advocaat van de vader en mevrouw [A] van de Raad voor de Kinderbescherming, aanwezig waren. De kinderrechter heeft na deze gesprekken op 15 november 2019 beslist om de definitieve beslissing op het verzoek van [verzoekster (voornaam)] uit te stellen. De kinderrechter heeft dat gedaan om de resultaten van de ouderschapsbemiddeling tussen de ouders en het hulpverleningstraject van [verzoekster (voornaam)] af te wachten.
1.3.
Daarna heeft de kinderrechter verschillende e-mails van de vader, de moeder en van [verzoekster (voornaam)] ontvangen. Naar aanleiding van deze e-mails heeft de kinderrechter besloten om weer opnieuw in gesprek te gaan met [verzoekster (voornaam)] en de ouders. Op 21 juni 2021 heeft de kinderrechter met [verzoekster (voornaam)] gesproken en de dag erna op 22 juni met de ouders van [verzoekster (voornaam)] . Bij dat gesprek waren ook de advocaat van de vader en mevrouw [B] namens de Raad voor de Kinderbescherming aanwezig. Deze beslissing is het vervolg op de beslissing van de kinderrechter van 15 november 2019.

2.Wat vindt de kinderrechter?

Het contact tussen [verzoekster (voornaam)] en de vader wordt weer opgestart
2.1.
Na de gesprekken die de kinderrechter met iedereen heeft gehad vindt zij dat het contact tussen [verzoekster (voornaam)] en de vader weer moet worden opgestart. De kinderrechter zal daarom een voorlopige zorgregeling vastleggen tussen [verzoekster (voornaam)] en de vader. De beslissing over de uiteindelijke zorgregeling zal de kinderrechter nog een jaar uitstellen totdat zij heeft gehoord hoe de voorlopige zorgregeling is gegaan. De kinderrechter zal hierna uitleggen waarom zij deze beslissing neemt.
2.1.1.
Uit de e-mails die de kinderrechter heeft ontvangen en tijdens de gesprekken met [verzoekster (voornaam)] en de ouders is het de kinderrechter duidelijk geworden dat de hulpverlening die is ingezet voor [verzoekster (voornaam)] niet helemaal goed is verlopen. Zo is de hulp pas laat gestart door de coronacrisis, is het videogesprek met [verzoekster (voornaam)] en de vader niet goed verlopen door geluidsproblemen en is de omgangsbegeleider waar [verzoekster (voornaam)] zich vertrouwd bij voelde ziek geworden.
2.2.
Ondanks dat de hulpverlening niet helemaal goed is verlopen, vindt de kinderrechter dat het nu weer tijd is om het contact tussen [verzoekster (voornaam)] en de vader op te starten. De kinderrechter heeft een fijn gesprek gehad met [verzoekster (voornaam)] en ziet dat [verzoekster (voornaam)] volwassen aan het worden is. Zij zit beter in haar vel en ziet zelf in dat het goed zou zijn om weer contact te hebben met haar vader. Haar vader wil niets liever dan weer contact hebben met [verzoekster (voornaam)] .
Langzame opbouw van het contactherstel tussen [verzoekster (voornaam)] en de vader
2.3.
Door alles wat er in het verleden is gebeurd, vindt de kinderrechter het belangrijk dat het contact tussen [verzoekster (voornaam)] en haar vader langzaam wordt opgebouwd. De kinderrechter zal daarom vastleggen dat [verzoekster (voornaam)] en haar vader het aankomende jaar minimaal één keer per maand fysiek met elkaar afspreken. Wat zij samen gaan doen mogen zij samen beslissen. Bijvoorbeeld een ijsje eten of een hapje eten. De kinderrechter begrijpt dat [verzoekster (voornaam)] graag zelf wil bepalen hoe het contact met haar vader verloopt, maar zij vindt het geen goed idee dat [verzoekster (voornaam)] helemaal alleen kan bepalen wanneer zij wel of niet contact heeft met haar vader. Het is beter voor [verzoekster (voornaam)] en de vader om op een regelmatige basis contact te hebben met elkaar. Dat zorgt namelijk voor meer duidelijkheid en zekerheid. Daarbij merkt de kinderrechter op dat als dit contact goed verloopt [verzoekster (voornaam)] en de vader het contact samen altijd kunnen uitbreiden naar meerdere contactmomenten. Dat juicht de kinderrechter alleen maar toe.
2.4.
Daarnaast vindt de kinderrechter het belangrijk dat er iemand aanwezig zal zijn tijdens het eerste contactmoment en als [verzoekster (voornaam)] dat graag wil ook tijdens de daaropvolgende contactmomenten, zoals ook door [verzoekster (voornaam)] is gevraagd. Tijdens het gesprek met de ouders is besproken dat [naam instelling] hier een goede rol in zou kunnen spelen. Afgesproken is dat de moeder na de zitting hierover contact zou opnemen met [naam instelling] . Na de zitting heeft de kinderrechter een e-mail van de vader ontvangen waarin staat dat [naam instelling] de omgang niet kan begeleiden zo lang er geen diagnostisch onderzoek bij een GGZ-instelling heeft plaatsgevonden bij [verzoekster (voornaam)] . Dit bericht van [naam instelling] maakt het oordeel van de kinderrechter niet anders. Tijdens de gesprekken is duidelijk gebleken dat [verzoekster (voornaam)] open staat voor contact met de vader en daar moet dan ook gehoor aan worden gegeven. Als [naam instelling] de contactmomenten niet wil begeleiden en vindt dat het doen van diagnostisch onderzoek belangrijk is voor [verzoekster (voornaam)] , dan vindt de kinderrechter dat [naam instelling] daar actie in moet ondernemen. Het past niet bij deze situatie waarin [verzoekster (voornaam)] en haar vader elkaar al lang niet hebben gezien om af te wachten totdat [verzoekster (voornaam)] zelf een GGZ-instelling benadert. [verzoekster (voornaam)] heeft nu gesprekken met de praktijkondersteuner van de huisarts. Dat doet haar goed. Als [naam instelling] vindt dat het toch nog nodig is om een GGZ-instelling te betrekken, dan zou dat tegelijkertijd kunnen met het opstarten van het contact tussen [verzoekster (voornaam)] en haar vader.
2.5.
Als [naam instelling] toch niet bereid is om de contactmomenten te begeleiden, vindt de kinderrechter het een goed idee als de praktijkondersteuner dit zal doen of iemand anders die [verzoekster (voornaam)] en de vader vertrouwen. Het is namelijk belangrijk dat iemand er voor zorgt dat iedere maand een contactmoment wordt afgesproken en dat deze goed verlopen. Mogelijk is dit alleen nodig tijdens de eerste keer of de eerste paar keren en voelen [verzoekster (voornaam)] en de vader zich daarna voldoende op hun gemak bij elkaar. Als een contactmoment een keer niet kan doorgaan dan verwacht de kinderrechter dat dit in overleg met [naam instelling] /de praktijkondersteuner/vertrouwenspersoon op een ander moment zal plaatsvinden.
Geen inhoudelijke terugkoppeling meer naar de vader vanuit de praktijkondersteuner
2.6.
Naast het opstarten van het contact vindt de kinderrechter het belangrijk dat [verzoekster (voornaam)] kan praten met een vertrouwenspersoon waar zij zich prettig bij voelt. [verzoekster (voornaam)] heeft aan de kinderrechter verteld dat zij de gesprekken met de praktijkondersteuner fijn vond, maar dat zij zich niet meer vrij voelde om te praten op het moment dat de gesprekken teruggekoppeld moesten worden aan de vader. De vader heeft tijdens het gesprek met de kinderrechter verteld dat hij geen inhoudelijke terugkoppeling hoeft van deze gesprekken en hij zal dit ook aan de praktijkondersteuner doorgeven.
Nog geen definitieve beslissing op het verzoek van [verzoekster (voornaam)]
2.7.
Zoals in het begin is gezegd neemt de kinderrechter nu nog geen definitieve beslissing op het verzoek van [verzoekster (voornaam)] , maar stelt zij deze beslissing nog een jaar uit. Dat betekent dat de beslissing van de kinderrechter wordt uitgesteld tot
20 juli 2022. In het komende jaar kunnen [verzoekster (voornaam)] en de vader het contact weer opstarten en kijken hoe dit gaat. De kinderrechter hoort graag
vóór 20 juli 2022van de ouders en [verzoekster (voornaam)] hoe het contact gegaan is en of zij nog hulp nodig hebben bij het contact. Tot die tijd gebeurt er bij de rechtbank dus even niets.
2.8.
Tijdens de zitting heeft mevrouw [B] van de Raad gezegd dat als na dit jaar of al eerder blijkt dat de tijdelijke zorgregeling niet goed verloopt dat zij dan een onderzoek zal starten. Zo’n onderzoek houdt in dat de raadsonderzoeker met de ouders en [verzoekster (voornaam)] zal gaan praten over de situatie. Vervolgens schrijft de raadsonderzoeker in een rapport op wat de situatie is van het gezin, hoe het onderzoek is gegaan en wat zij heeft gehoord en gezien. In het rapport staat ook een advies voor de kinderrechter over wat het beste is voor [verzoekster (voornaam)] . Een onderzoek van de Raad duurt meestal een paar maanden voordat het klaar is. Als het rapport van de Raad klaar is, zal de kinderrechter [verzoekster (voornaam)] en de ouders weer uitnodigen voor een gesprek en zitting. De kinderrechter hoopt dat dit niet nodig zal zijn en dat het contact tussen [verzoekster (voornaam)] en de vader goed zal verlopen.
2.9.
De kinderrechter heeft met [verzoekster (voornaam)] en haar ouders besproken dat deze beslissing niet alleen aan de ouders, maar ook aan [verzoekster (voornaam)] wordt gestuurd. [verzoekster (voornaam)] heeft de kinderrechter in een brief gevraagd de zorgregeling te wijzigen en de kinderrechter vindt het belangrijk dat zij nu ook kan lezen en begrijpt welke (voorlopige) beslissing nu wordt genomen.
Hierna volgt de beslissing. De kinderrechter gebruikt hier de begrippen uit de wet.

3.De beslissing

De rechtbank:
3.1.
houdt de beslissing over het verzoek van [verzoekster (voornaam)]
pro formaaan tot
20 juli 2022, in afwachting van hoe de tijdelijke zorgregeling tussen [verzoekster (voornaam)] en de vader zal verlopen, met het verzoek aan de ouders en [verzoekster (voornaam)] om tijdig voor die datum te laten weten:
  • of meer uitstel nodig is en zo ja, voor hoe lang;
  • of de rechter een beslissing kan nemen zonder nieuwe zitting.
Mocht uit de terugkoppeling blijken dat de tijdelijke zorgregeling niet goed loopt, dan verzoekt de rechtbank de Raad om te onderzoeken welke zorgregeling in het belang van [verzoekster (voornaam)] is en houdt de beslissing verder aan in afwachting van de uitkomst van het Raadsonderzoek.
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. V.E.J.A. Heijckmann, in samenwerking met mr. Z.E.W. Fuchs, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 juli 2021.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.