Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
2.VORDERING
3.BEOORDELING VAN DE VORDERING
€ 700,-+
€ 65,
--/-
€ 7.000,-+
€ 390,--/-
€ 62,50 -/-
€ 5.760,-+
€ 319,50 -/-
€ 132,50 -/-
€ 33,75 -/-
Rechtbank Midden-Nederland
De rechtbank Midden-Nederland heeft op 27 januari 2021 uitspraak gedaan in een ontnemingszaak tegen veroordeelde, die eerder is veroordeeld voor meervoudige mensenhandel, waaronder minderjarige slachtoffers. De zaak betrof de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel dat veroordeelde heeft behaald uit deze strafbare feiten.
De officier van justitie vorderde een bedrag van €11.655,- aan wederrechtelijk verkregen voordeel voor veroordeelde, waarbij het totaalbedrag van €23.310,- gelijk verdeeld moest worden tussen veroordeelde en zijn mededader. De verdediging voerde aan dat geen voordeel was genoten omdat de slachtoffers 20% van hun inkomsten afstonden die geheel opging aan kosten, en verzocht de vordering af te wijzen of nihil vast te stellen.
De rechtbank heeft de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel gebaseerd op verklaringen van zes slachtoffers en het ontnemingsrapport, waarbij rekening is gehouden met gemaakte kosten van 5% van de opbrengsten. De totale netto opbrengst werd geschat op €19.061,75, waarvan de rechtbank het voordeel voor veroordeelde vaststelde op €9.530,87 door een gelijke verdeling met de mededader.
De rechtbank wees het verzoek van de verdediging af om vorderingen van benadeelde partijen in mindering te brengen omdat deze nog niet onherroepelijk zijn toegekend. Ook werd geoordeeld dat de redelijke termijn niet was geschonden. De rechtbank legde veroordeelde de verplichting op tot betaling van €9.530,87 aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel en bepaalde de maximale gijzelingstermijn op 190 dagen.
Uitkomst: Veroordeelde is verplicht tot betaling van €9.530,87 aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.