De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 14 juli 2021 de vordering van het Openbaar Ministerie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde, veroordeeld voor medeplegen van handelen in strijd met de Wet wapens en munitie.
De ontnemingsvordering betreft het voordeel dat veroordeelde heeft genoten uit het ombouwen van alarmpistolen, het uitlenen van kennis en de verkoop van wapens. De rechtbank stelde vast dat veroordeelde 50 alarmpistolen heeft omgebouwd tegen een vergoeding van €50 per stuk, wat resulteert in €2.500. Daarnaast is €1.000 aan opbrengst uit kennisoverdracht vastgesteld. Verder is de opbrengst uit de verkoop van wapens vastgesteld op €2.700, gebaseerd op verklaringen en onderzoeksbevindingen.
De rechtbank verwierp het verzoek van de verdediging om het voordeel te matigen, onder meer omdat de verklaring van een medeveroordeelde als betrouwbaar werd beschouwd. De totale ontnemingsvordering werd vastgesteld op €6.200. De rechtbank oordeelde dat er geen reden was om de betalingsverplichting te matigen wegens draagkracht. Tevens werd bepaald dat het Openbaar Ministerie maximaal 124 dagen gijzeling kan vorderen bij niet-nakoming.
De uitspraak is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht en volgt op de veroordeling van veroordeelde voor het strafbare feit gepleegd tussen 28 november 2019 en 22 april 2020.