In deze bestuursrechtelijke zaak betrof het geschil de vaststelling van de WOZ-waarde van een appartement uit 1959 met berging en balkon, gelegen aan een adres in een plaats. Verweerder had de waarde voor het belastingjaar 2020 vastgesteld op €273.000,- met als waardepeildatum 1 januari 2019. Eiseres stelde dat de waarde te hoog was en bepleitte een lagere waarde van €217.000,-.
Verweerder onderbouwde de vastgestelde waarde met een taxatiematrix waarin de woning werd vergeleken met referentiewoningen van hetzelfde type en met marktgegevens. De rechtbank oordeelde dat verweerder met deze matrix aannemelijk had gemaakt dat de waarde niet te hoog was vastgesteld, mede omdat de referentiewoningen voldoende vergelijkbaar waren en de verschillen in voorzieningen en ligging adequaat waren meegenomen.
Eiseres bracht tijdens de zitting diverse beroepsgronden naar voren, waaronder de oppervlakte van het appartement en de aanwezigheid van een VVE-reserve, maar deze werden deels niet in behandeling genomen vanwege het late tijdstip van inbrengen. De rechtbank wees het beroep af en oordeelde dat verweerder geen verplichting had tot het gebruik van vaste correctiepercentages voor gedateerde voorzieningen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.