Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juni 2021 in de zaak tussen
[eiser] uit [woonplaats] , eiser
de heffingsambtenaar van [gemeente] , verweerder
Procesverloop
Overwegingen
- [adres 2] , verkocht op 24 juli 2017 voor € 209.646,-
- [adres 3] , verkocht op 30 oktober 2019 voor 230.000,-
- [adres 4] , verkocht op 4 maart 2020 voor € 261.750,-
- [adres 5] , verkocht op 11 december 2017 voor € 227.000,-
- [adres 6] , verkocht op 3 augustus 2017 voor € 213.500,-
- [adres 7] , verkocht op 19 december 2016 voor € 214.000,-
- [adres 8] , verkocht op 28 maart 2019 voor € 257.000,-
- [adres 9] , verkocht op 16 februari 2018 voor € 232.500,-
- [adres 10] , verkocht op 26 april 2019 voor € 252.500,-
- [adres 11] , verkocht op 19 augustus 2019 voor € 289.500,-
- [adres 12] , verkocht op 4 juli 2019 voor € 272.500,-
- [adres 13] , verkocht op 10 september 2018 voor € 239.900,-
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- stelt de waarde van het object vast op € 268.000,- naar de waardepeildatum 1 januari 2019 en bepaalt dat verweerder de aanslag onroerendezaakbelastingen dienovereenkomstig vermindert;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.064,-;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 48,- aan eiser te vergoeden.