Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2021:3386

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
12 juli 2021
Publicatiedatum
22 juli 2021
Zaaknummer
UTR 20/4774
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding

In deze bestuursrechtelijke zaak heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lelystad de bijstandsuitkering van eiseres ingetrokken en de betaalde bijstand over een periode van ruim acht jaar teruggevorderd, omdat eiseres volgens het college een gezamenlijke huishouding voerde met een ander persoon. Eiseres maakte bezwaar tegen deze besluiten, maar dit werd ongegrond verklaard, waarna zij beroep instelde bij de rechtbank.

De rechtbank oordeelt dat de feiten en omstandigheden waarop het college de intrekking baseert, niet zijn bestreden en voldoende zijn om te concluderen dat sprake was van een gezamenlijke huishouding. Eiseres had op grond van de Participatiewet melding moeten maken van deze situatie, maar heeft dit nagelaten, waardoor zij haar inlichtingenplicht heeft geschonden. Dit rechtvaardigt de intrekking van de bijstand en de terugvordering van het ten onrechte ontvangen bedrag.

Eiseres stelde dat zij in bewijsnood verkeert vanwege het tijdsverloop en dat het niet zorgvuldig is om over zo’n lange periode terug te vorderen. De rechtbank wijst dit af en benadrukt dat het risico van bewijsproblemen voor rekening van eiseres komt, omdat zij niet tijdig melding heeft gemaakt. Ook het argument dat het college de regels niet consistent toepaste, wordt verworpen wegens gebrek aan onderbouwing.

De rechtbank erkent dat de terugvordering een zware financiële last is, maar ziet geen onaanvaardbare omstandigheden die terugvordering in de weg staan. Ook het signaal in 2015 over een storting op de rekening van eiseres leidt niet tot beperking van de terugvordering, omdat dit signaal onvoldoende concreet was voor nader onderzoek. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de intrekking en terugvordering van bijstand wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 20/4774
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de meervoudige kamer van 12 juli 2021 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. J.A.C. van den Brink),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lelystad, verweerder

(gemachtigde: mr. M. de Roode en M. Ferdinandy).

Procesverloop

In het besluit van 16 april 2020 heeft verweerder de uitkering op grond van de Participatiewet (PW) ingetrokken met ingang van 12 september 2011.
In het besluit van 20 april 2020 heeft verweerder de betaalde bijstand over de periode van 12 september 2011 tot en met 31 januari 2020 teruggevorderd tot een bedrag van € 108.924,68.
Tegen deze besluiten heeft eiseres bezwaar gemaakt.
In het besluit van 11 november 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 12 juli 2021 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. De door de rechtbank te beoordelen periode in deze zaak is de periode van 12 september 2011 tot en met 31 januari 2020. Over die periode is de bijstandsuitkering van eiseres ingetrokken, omdat verweerder heeft geconcludeerd dat eiseres in die periode een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met [A] . De rechtbank moet beoordelen of verweerder dat terecht heeft beslist.
2. De feiten die verweerder aan die beslissing ten grondslag heeft gelegd, zijn in het beroepschrift niet bestreden. Op de zitting heeft eiseres aangevoerd dat een bepaalde waarneming en daarop gebaseerde conclusie niet helemaal klopt. De rechtbank stelt vast dat de conclusie van verweerder dat sprake is geweest van een gezamenlijke huishouding, is gebaseerd op méér dan die bewuste waarneming. De feiten en omstandigheden die verweerder in het bestreden besluit heeft opgesomd, kunnen de conclusie dragen dat in de te beoordelen periode sprake is geweest van een gezamenlijke huishouding tussen eiseres en [A] . Op grond van de Participatiewet had eiseres van deze feiten en omstandigheden melding moeten maken aan verweerder. Zij had namelijk kunnen en moeten weten dat deze feiten en omstandigheden van belang konden zijn voor haar recht op een bijstandsuitkering. Zij heeft hiervan evenwel geen mededeling gedaan en daarmee heeft eiseres de inlichtingenplicht geschonden. Vanwege die schending van de inlichtingenplicht is verweerder op grond van de Participatiewet verplicht om de bijstandsuitkering in te trekken.
3. Eiseres voert aan dat zij in bewijsnood verkeert en dat het niet zorgvuldig is om over zo’n lange periode de bijstand in te trekken en terug te vorderen. Zij meent dat zij door het tijdsverloop de door verweerder aangedragen feiten en omstandigheden niet meer goed kan bestrijden met haar eigen verklaringen of met bewijsstukken. Volgens haar verkeert zij in bewijsnood. De rechtbank volgt dit niet. Het is inderdaad lastig voor eiseres om nu nog te bewijzen hoe haar woon- en leefsituatie van eiseres in bewuste periode was. Dit dient echter voor haar rekening en risico te blijven. Als zij melding had gemaakt van de aangedragen feiten en omstandigheden, zoals zij had moeten doen, dan had verweerder eerder onderzoek kunnen doen naar de woon- en leefsituatie van eiseres. Eiseres had daarop dan kunnen reageren en dan had zij geen bewijsprobleem gehad.
4. Eiseres heeft aangevoerd dat verweerder de geldende rechtsregels niet consistent heeft toegepast. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres deze stelling niet geconcretiseerd of onderbouwd. Deze beroepsgrond kan daarom niet slagen.
5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de ten onrechte ontvangen bijstand mocht terugvorderen. De rechtbank begrijpt dat een terugvordering van deze omvang voor eiseres heel lastig is. Ook begrijpt de rechtbank dat het zwaar voor eiseres is om zich als moeder in een situatie te bevinden, waarin zij zich gedwongen voelt om een beroep te doen op haar zoon om in haar dagelijks levensonderhoud te kunnen voorzien. Deze omstandigheden zijn echter niet zo bijzonder dat verweerder om die reden niet mag terugvorderen. Alleen als de terugvordering tot onaanvaardbare financiële en/of sociale omstandigheden leiden, dan dient verweerder hiervan af te zien. Van dergelijke omstandigheden is de rechtbank niet gebleken. Het komt vaker voor dat zulke grote bedragen worden teruggevorderd als de inlichtingenplicht wordt geschonden en dat is bijna per definitie een hele vervelende situatie voor betrokkenen.
6. Eiseres heeft verder naar voren gebracht dat verweerder medio 2015 het signaal heeft ontvangen dat “haar man” een bedrag op haar rekening zou hebben gestort. Eiseres heeft aangevoerd dat dit signaal verweerder ertoe hadden moeten brengen om nader onderzoek te verrichten naar haar het recht op bijstand. Verweerder had om die reden de terugvordering moeten beperken tot in ieder geval 26 juni 2015. Ook dit betoog volgt de rechtbank niet. Het genoemde signaal is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende concreet geweest voor verweerder om op basis daarvan nader onderzoek te verrichten naar de vraag of tussen eiseres en [A] sprake was van een gezamenlijke huishouding.
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
9. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 12 juli 2021 door mr. R.J.A. Schaaf, voorzitter, en mr. J.G. Nicholson en mr. K. de Meulder, leden, in aanwezigheid van mr. C. ten Klooster, griffier.
griffier
voorzitter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. U ziet deze datum hierboven.