Eiser heeft een verzoek ingediend om inzage in zijn persoonsgegevens over de periode van 11 december 2018 tot en met 7 januari 2019. Verweerder heeft op dit verzoek beslist en inzage gegeven in enkele persoonsgegevens uit 2011 en 2018, maar het verzoek om een afschrift van de verwerking is afgewezen. Na bezwaar heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en bevestigd dat er geen aanvullende persoonsgegevens zijn.
Eiser stelde dat er meer gegevens moeten zijn, onder meer op basis van informatie van andere instanties zoals de gemeente Amsterdam en de gemeente Emmen. De rechtbank heeft onderzocht of verweerder meer persoonsgegevens onder zich heeft dan reeds verstrekt. Verweerder heeft toegelicht dat hij intern en bij betrokken instanties onderzoek heeft gedaan en geen aanvullende gegevens heeft gevonden. De rechtbank acht de toelichting van verweerder geloofwaardig en concludeert dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er meer persoonsgegevens zijn.
De rechtbank overweegt dat het niet aannemelijk is dat er documenten met persoonsgegevens zijn vernietigd nadat het inzageverzoek is ingediend. Ook is niet gebleken dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld. De enkele verwijzingen van eiser naar mogelijke documenten, zoals facturen of financiële afspraken, zijn onvoldoende concreet om het standpunt van verweerder te weerleggen.
Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.