ECLI:NL:RBMNE:2021:3436

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
21 juli 2021
Publicatiedatum
26 juli 2021
Zaaknummer
UTR 21/2617
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:82 AwbArt. 8:41 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek voorlopige voorziening afgewezen wegens niet tijdig betalen griffierecht

In deze bestuursrechtelijke zaak heeft verzoeker een voorlopige voorziening gevraagd tegen een omgevingsvergunning verleend door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Blaricum. De voorzieningenrechter heeft het verzoek echter niet inhoudelijk behandeld omdat het griffierecht niet tijdig is betaald.

Verzoeker werd per aangetekende brief verzocht het griffierecht binnen twee weken te voldoen. Deze brief werd niet afgehaald en retour gezonden. Een tweede nota werd per gewone post verzonden en door verzoeker ontvangen. Uit de track & trace-gegevens blijkt dat verzoeker de aangetekende brief niet heeft opgehaald, waardoor het griffierecht niet tijdig is voldaan. De voorzieningenrechter oordeelt dat het de verantwoordelijkheid van verzoeker is om zijn post tijdig op te halen.

Gezien het ontbreken van een geldige reden voor het niet betalen van het griffierecht binnen de gestelde termijn, verklaart de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig betalen van het griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 21/2617

uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 juli 2021 in de zaak tussen

[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Blaricum, verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 1 juni 2021 heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend voor het uitbreiden van de verdieping op het perceel [adres] te [woonplaats] .
Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Overwegingen

1. In deze zaak worden partijen niet uitgenodigd voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Verzoeker heeft namelijk het griffierecht niet betaald. De voorzieningenrechter kan de zaak daarom niet inhoudelijk behandelen. Hieronder legt de voorzieningenrechter dat verder uit.
2. De indiener van een verzoek om voorlopige voorziening moet griffierecht betalen. Dit volgt uit artikel 8:82, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De griffier van de rechtbank stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald (artikelen 8:82, derde lid, en 8:41, vijfde lid, van de Awb). Het hele bedrag moet binnen de gestelde termijn bijgeschreven zijn op de rekening van de rechtbank of binnen die termijn betaald zijn op de griffie van de rechtbank.
3. Als het griffierecht niet of niet op tijd wordt betaald, verklaart de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Dit volgt uit de artikelen 8:82, derde lid, en 8:41, zesde lid, van de Awb. Dat is alleen anders als voor het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht een geldige reden wordt gegeven.
4. Bij aangetekend verzonden brief van 19 juni 2021 is verzoeker in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen binnen twee weken na dagtekening van die brief. Deze brief is echter op 7 juli 2021 onbestelbaar geretourneerd met de mededeling dat verzoeker de brief niet heeft afgehaald. De rechtbank heeft de nota op 9 juli 2021 nogmaals gestuurd per gewone post en wel naar hetzelfde adres als waar ook de aangetekende nota naartoe was verstuurd. Verzoeker heeft hierop op 12 juli 2021 per e-mail meegedeeld dat hij geen aangetekende brief heeft gekregen en de kopie van de nota op 10 juli 2021 heeft ontvangen.
De voorzieningenrechter stelt echter vast dat uit de track & trace-gegevens van PostNL blijkt dat de aangetekende nota naar het juiste adres is verzonden. Verder blijkt hieruit dat op 24 juni 2021 om 10:29 uur is geprobeerd om de aangetekende nota bij verzoeker te bezorgen, maar dat is dit niet gelukt. Vervolgens is de nota op 25 juni 2021 om 09:54 uur bezorgd bij het PostNL-punt, alwaar verzoeker deze kon ophalen. Omdat verzoeker de nota niet heeft opgehaald is hij op 6 juli 2021 retour afzender gestuurd. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het de verantwoordelijkheid van verzoeker is om tijdig zijn post op te halen. Verzoeker heeft daarom zonder goede reden het griffierecht niet tijdig betaald.
5. Het verzoek is niet-ontvankelijk.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van
mr. J.P. Brand, griffier. De beslissing is uitgesproken op 21 juli 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.