ECLI:NL:RBMNE:2021:3561
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen vastgestelde WOZ-waarde van vrijstaande woning
De zaak betreft een beroep van eiser tegen de door verweerder vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning, gelegen aan een adres in een woonplaats, voor het belastingjaar 2020. Verweerder had de waarde oorspronkelijk vastgesteld op €914.000, welke na bezwaar werd verlaagd naar €865.000. Eiser stelde dat de waarde te hoog was en pleitte voor €750.000.
De rechtbank oordeelt dat verweerder de waarde adequaat heeft onderbouwd met een taxatiematrix en vergelijkingen met referentiewoningen, rekening houdend met verschillen in perceelgrootte, inhoud en ligging. De perceelgrootte was gecorrigeerd naar 1.020 m2, waarover partijen overeenstemming bereikten. Eiser voerde onder meer aan dat het gebruiksoppervlak van een referentiewoning onjuist was vastgesteld en dat de woning een waardedrukkende factor kent vanwege het beperkte aantal slaapkamers.
De rechtbank vindt dat verweerder op juiste gronden de gebruiksoppervlakte van de referentiewoningen heeft vastgesteld, mede op basis van gegevens van verkopende makelaars. De waardedrukkende factor van het aantal slaapkamers is onvoldoende onderbouwd en wordt niet meegenomen in de waardering, die uitgaat van gebruiksoppervlakte. De rechtbank concludeert dat de vastgestelde WOZ-waarde niet te hoog is en verklaart het beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €865.000 wordt ongegrond verklaard.