Eiser diende een aanvraag in voor passende opvang voor zichzelf en zijn minderjarige zoon, omdat zij per 7 april dakloos zouden worden. Na het niet tijdig beslissen op de aanvraag stelde eiser beroep in en vroeg een voorlopige voorziening aan. Tijdens de zitting op 6 april trok eiser het verzoek om voorlopige voorziening in, nadat het college een tijdelijke maatwerkvoorziening in de vorm van opvang en volpension in een hotel had getroffen.
Vervolgens trok eiser ook het beroep in op 15 april, maar verzocht tegelijkertijd om vergoeding van de proceskosten op grond van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht. Het college reageerde niet op dit verzoek. De rechtbank oordeelde dat de intrekking van het beroep het gevolg was van de gedeeltelijke tegemoetkoming door het college.
Op grond daarvan veroordeelde de rechtbank het college tot betaling van € 748,- aan proceskosten en tot vergoeding van het griffierecht dat eiser had betaald. De uitspraak werd gedaan door rechter J.G. Nicholson op 22 juli 2021.