ECLI:NL:RBMNE:2021:3571

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
29 juli 2021
Publicatiedatum
29 juli 2021
Zaaknummer
UTR 21/2927
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen intrekking wapenverlof wegens ontbreken spoedeisend belang

In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de korpschef van politie het wapenverlof van verzoeker per direct ingetrokken op 16 juli 2020. Het administratief beroep van verzoeker tegen deze intrekking is door de minister van Justitie en Veiligheid ongegrond verklaard op 17 maart 2021. Verzoeker heeft vervolgens een voorlopige voorziening gevraagd bij de voorzieningenrechter.

De voorzieningenrechter beoordeelt dat het niet kunnen deelnemen aan schietsportactiviteiten en het niet kunnen voldoen aan de verplichtingen van het KNSA-lidmaatschap geen spoedeisend belang oplevert. Er is geen sprake van een situatie die onomkeerbaar dreigt te worden. Hierdoor kan alleen een voorlopige voorziening worden getroffen indien het bestreden besluit evident onrechtmatig is.

De voorzieningenrechter oordeelt dat er geen sprake is van evident onrechtmatigheid, omdat zonder diepgaand onderzoek niet ernstig betwijfeld kan worden dat het besluit juist is. Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter L.A. Banga en griffier M.L. Bressers op 29 juli 2021. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de intrekking van het wapenverlof wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang en evident onrechtmatigheid.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 21/2927

uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 juli 2021 in de zaak tussen

[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. J. Visscher),
en

de minister van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 16 juli 2020 (primair besluit) heeft de korpschef van politie het aan verzoeker verleende wapenverlof per direct ingetrokken.
In het besluit van 17 maart 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het administratief beroep van verzoeker tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Overwegingen

De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als gelet op alle betrokken belangen “onverwijlde spoed” dat vereist. Verzoeker voert hierover aan dat zijn spoedeisend belang erin is gelegen dat de intrekking van het verlof tevens tot gevolg heeft gehad dat zijn schutterstatus door de KNSA is opgeschort. Dit heeft tot gevolg dat verzoeker op geen enkele wijze meer kan en mag deelnemen aan activiteiten van de schietsportvereniging [naam] waarbij hij is aangesloten en hij ook niet kan voldoen aan de verplichtingen verbonden aan het KNSA lidmaatschap.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat in het feit dat verzoeker zijn schietsport niet kan beoefenen en niet meer kan voldoen aan de aan het lidmaatschap verbonden verplichtingen geen spoedeisend belang is gelegen. Allereerst is dit belang niet van dien aard dat daar een zwaar gewicht aan toegekend moet worden en bovendien is niet gebleken van een situatie die onomkeerbaar dreigt te worden.
Omdat de voorzieningenrechter van oordeel is dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft, kan de door hem gevraagde voorziening alleen nog worden getroffen als het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door verweerder ingenomen standpunt juist is en of het bestreden besluit in de bodemprocedure in stand zal blijven. Daarvan is naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.A. Banga, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr.M.L. Bressers, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2021.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.